Plus Opinie

‘Waarom je niet kunt spreken ‘als witte man’’

Niet iedere mening hoeft onderbouwd te worden door kleur, gender of een andere identiteit, betoogt filosoof Kwame Anthony Appiah.

Zo gelijk als een moederbord zijn mensen niet. Beeld Getty Images/Westend61

‘Als witte man’, begint Jaap, vooruitlopend op een inzicht, onthulling, tegenwerping of bevestiging die hij graag wil delen – maar laten wij hem meteen onderbreken. Wat wil hij zeggen, behalve dat hij wit en een man is? Wat betekent het wanneer mensen deze nu alomtegenwoordige formule (‘Als zus-en-zo...’) gebruiken om een identiteit aan een observatie te hechten?

Doorgaans is het een bevestiging van gezag: als lid van deze of gene sociale groep heb ik ervaringen die mijn opmerkingen een speciaal gewicht geven. De ervaringen, die immers representatief zijn voor die groep, kunnen mij misschien zelfs kwalificeren om die groep te representeren. Soms is de formule een erkenning van nederigheid. Zij kan beide tegelijk zijn. De bezwering lijkt onontbeerlijk. Maar zij kan ook – om een andere geliefde formule te gebruiken – problematisch zijn.

Het begrip ‘als een’ is een inherent kenmerk van identiteiten. Om een groepsbenaming als ‘witte mannen’ te laten gelden als een sociale identiteit, moeten er gelegenheden zijn waarbij de mensen waarop die benaming van toepassing is optreden als leden van die groep en bejegend worden als leden van die groep. Wij leiden ons leven als mannen en vrouwen, als zwarten en witten, als leraren en musici.Toch duidt alleen al het woord ‘identiteit’ op het probleem: het komt van het Latijnse idem, wat ‘hetzelfde’ betekent. Aangezien leden van een bepaalde identiteitsgroep ervaringen hebben die afhankelijk zijn van een groot aantal andere sociale factoren, zijn zij niet hetzelfde.

Intersectionaliteit

Een zwarte, Amerikaanse lesbienne zijn is bijvoorbeeld niet simpelweg een kwestie van het combineren van Afro-Amerikaanse, vrouwelijke en homoseksuele manieren van zijn in de wereld; identiteiten werken op complexe manieren op elkaar in.

Daarom heeft Kimberlé Crenshaw, een feministische rechtstheoreticus en burgerrechtenactivist, het begrip intersectionaliteit geïntroduceerd, dat de complexe wijze benadrukt waarmee verschillende vormen van onderschikking zich tot elkaar verhouden. Racisme kan ertoe leiden dat witte mannen huiveren voor zwarte mannen en zwarte vrouwen misbruiken. Homofobie kan ertoe leiden dat mannen in Zuid-Afrika homovrouwen verkrachten maar homomannen vermoorden. Seksisme in de Verenigde Staten in de jaren vijftig van de vorige eeuw hield witte vrouwen uit de middenklasse thuis en stuurde zwarte vrouwen uit de arbeidersklasse erop uit om voor hen te werken.

Laten wij teruggaan naar Jaap, met zijn hippe koffiemok en zijn knotje (of ziet u een ‘Make America Great Again’-aanhanger voor u, met een mouwloos T-shirt en een kortgeschoren kop?) Dat je een identiteit hebt, verleent jou op zich nog niet het gezag te spreken namens iedereen met die identiteit. Dus kan het niet echt zo zijn dat hij spreekt namens alle witte mannen. Maar hij kan er toch op z’n minst over spreken hoe het is om te leven als een witte man?

Niet als wij het bekijken vanuit het standpunt van intersectionaliteit. Als Jaap als witte katholieke homo in Noord-Ierland was opgegroeid, zouden zijn ervaringen allicht nogal verschillen van die van zijn witte protestantse mannelijke homovrienden daar – laat staan van die van de penfriend uit zijn jeugd, een in Cincinnati opgegroeide, liberaal-joodse hetero. Identiteit beïnvloedt weliswaar jouw ervaringen, maar er is geen garantie dat wat je ervan hebt geleerd hetzelfde zal zijn als wat andere mensen met dezelfde identiteit hebben geleerd.

‘Je bent niet maar één ding’

Wij hebben dit eerder gezien. In de identiteitbewuste jaren tachtig van de vorige eeuw dachten veel humanisten in de academische wereld dat wij met ‘als een’ wel het toppunt hadden bereikt. Sommigen waren bezorgd dat de spreekwijze ontaard was in niet meer dan een gestandaardiseerde pose.

De literair-theoreticus Barbara Johnson schreef: ‘Als ik probeerde te “spreken als een lesbienne”, zou ik mijn zelfbegrip dan niet ontwikkelen via door de media gewekte beelden van wat een lesbienne is of via mijn eigen idealiseringen van wat een lesbienne zou moeten zijn?’ In de poging echt’ te zijn zag zij iets onechts. Een andere toonaangevende theoreticus, Gayatri Chakravorty Spirak, vond dat men door het ‘als een’-gebruik ‘afstand nam van zichzelf’, waarbij de spreker een zelfbenoemde representant van een abstractie, een veralgemeend perspectief werd, en de feitelijke veelvormigheid van haar identiteiten tenietdeed. ‘Je bent niet maar één ding,’ merkte zij op.

Wisseling van identiteiten

Omdat wij niet ‘maar één ding’ zijn, kan ‘als een’ in het dagelijks spraakgebruik nuttig zijn als een manier om een specifiek kenmerk van wie wij zijn te belichten. Comedians werken veel met dit soort identiteitclues. In de recente Netflix-special van W. Kamau Bell, ‘Private School Negro’, belicht de ‘als een’-cue in de loop van een uur expliciet of impliciet verscheidene van zijn identiteiten.

Soms spreekt hij als ouder die moet gaan kamperen omdat zijn kinderen dat leuk vinden. Soms spreekt hij als Afro-Amerikaan die om historische redenen niet ziet wat er aantrekkelijk is aan kamperen (expres in de openlucht slapen?). Soms – zoals in een verhaal over dat ernaar zijn gewicht wordt gevraagd voor hij aan boord van een klein vliegtuig gaat – spreekt hij als ‘een man, een heteroseksuele, cisgender pappa.’ (Vandaar: ‘Ik heb geen idee hoeveel ik weeg.’)

De wisseling van identiteiten kan de hele clou van de grap zijn. Luister naar Chris Rock, als hij het heeft over zijn leven in een welgestelde sub-urb in New Jersey: ‘Als zwarte man ben ik tegen smerissen, maar als een man met eigen bezit, nou ja, heb ik ze nodig. Als iemand iets steelt, kan ik toch geen straatbende bellen?’ Aandacht vragen voor bepaalde identiteiten die je hebt is vaak een natuurlijke manier om aandacht te vragen voor de contouren van je overtuigingen, waarden of zorgen. Maar caveat auditor: laat de luisteraar op zijn hoede zijn.

Een identiteit representeren is vaak vrijwilligerswerk, maar soms wordt de representant tevoorschijn getoverd. Jaren geleden wees een licht geschifte gravin die ik kende in de wijk Hampstead in Londen vaak naar een man in een leren jack op een parkbank en liet haar gezelschap dan met een veelbetekenende blik weten: ‘Hij is de opperhomo.’ Ze was ervan overtuigd dat homo’s het equivalent van een paus of eerste minister hadden die kon spreken namens al zijn soortgenoten.

Omdat de ervaringen van mensen zo verschillen, loopt het ‘als een’-gebruik altijd het gevaar van aanmatiging. Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de universiteit van Cambridge studeerde, waren homomannen très chic: je kon geen serieuze party hebben zonder dat sommigen van ons er als sierkussens verspreid lagen. Geven mijn ervaringen mij het recht te spreken namens een homoseksuele landarbeider die opgroeit in Emmett, Idaho? Niemand heeft mij tot opperhomo benoemd.

Als iemand een gedragslijn bepleit die homomannen zouden moeten volgen, of die anderen jegens homomannen zouden moeten volgen, gaat het er zeker niet om of de persoon homo is, maar of de gedragslijn verstandig is. Als homoman kun je tegen het homohuwelijk zijn (je onderwerpt je er alleen mee aan de heteronormativiteit van onze cultuur, en monogamie is trouwens een patriarchale uitvinding), of juist een pleitbezorger van het homohuwelijk zijn (het is een bevestiging van gelijkwaardigheid en een manier om homostellen te ondersteunen). Omdat leden van een identiteitsgroep niet identiek zullen zijn, lost jouw ‘als een’ niets op. Hetzelfde geldt voor religieuze, beroeps- en nationale identiteiten.

Niemand is exclusief representatief

En natuurlijk voor raciale identiteiten. In de jaren negentig van de vorige eeuw schreef de zwarte romanschrijver Trey Ellis een scenario, ‘The Inkwell’, dat putte uit zijn jeugd in het milieu van de zwarte bourgeoisie. Een witte studiobaas (voor wie klasse vermoedelijk overschaduwd werd door ras) gaf het aan Matty Rich, een jonge zwarte regisseur die was opgegroeid in een sociale huurwoning in New York. De heer Rich was kennelijk bezorgd dat het script niet ‘zwart genoeg’ was en stelde voor de vader van de hoofdfiguur, een leraar, in een vuilnisman te veranderen. Laat het voldoende zijn als ik zeg dat het niet goed afliep. Gaan wij deze eeuwigdurende debatten over authenticiteit echt beslechten met een regen van ‘als een’-pijlen?

Op de een of ander manier kunnen wij het niet laten dat te proberen. Sinds Donald Trump zijn verrassende electorale overwinning binnenhaalde, zijn politieke analisten op zoek geweest naar mensen die konden spreken namens de zogenaamd ontevreden witte kiezers uit de arbeidersklasse die, door hun voormalige Democratische loyaliteit in te wisselen, Trump het voordeel gaven.

Maar ongeveer een derde van de witte arbeidersklasse stemde op Hillary Clinton. Niemand die kan uitleggen waarom witte kiezers uit de arbeidersklasse die voor Trump gingen zouden spreken namens de miljoenen witte kiezers uit de arbeidersklasse die dat niet deden. Iemand zou kunnen zeggen dat ze sprak als een witte vrouw uit de arbeidersklasse ter verklaring waarom ze op Clinton stemde, net zo waarheidsgetrouw als dat haar zus diezelfde bewering zou kunnen doen ter verklaring van haar steun aan Trump – waarbij elk van beiden ons ertoe zou aanzetten te bedenken welke rol haar klasse en ras in het verhaal zouden kunnen spelen. Dat kan geen kwaad. Maar geen van beiden zou naar waarheid kunnen beweren namens de witte arbeidersklasse te spreken. Geen van hen heeft het exclusieve recht representatief te zijn.

Voor zichzelf spreken

Dus wij zouden er goed aan doen minder toe te geven aan ‘als een’ – aan de drang onze observaties te onderbouwen met onze identiteiten. ‘Voor mij,’ merkte professor Spivak ooit vinnig op, ‘is de vraag “wie zou er moeten spreken” minder cruciaal dan “wie zal er luisteren?”’

Maar vertel dat maar eens aan Jaap, terwijl hij een slok kruidenthee neemt – of is het een hipsterbiertje? Goed dan, Jaap, laat eens horen wat je te zeggen hebt. De conventie om te spreken ‘als een’ leidt nergens toe; in werkelijkheid dient die vaak een doel. Maar hier is een andere frase die jou misschien bevalt: ‘Als ik voor mezelf mag spreken...’

Dit stuk, vertaald door Maarten Polman, verscheen eerder in The New York Times.

Kwame Anthony Appiah is dit weekend te gast bij Brainwash. Deze week verscheen ‘De leugens die ons binden: een nieuwe kijk op identiteit’, de Nederlandse vertaling van zijn bestseller ‘The lies that bind’ bij Uitgeverij Pluim. 

Kwame Anthony Appiah is Brits-Ghanees filosoof en momenteel verbonden als professor aan de Universiteit van New York. Beeld New York University
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden