Opinie

‘Waarom ik mezelf geen ‘asperger’ meer noem maar autist’

Vroeger herkende Niels Springveld zich in beschrijvingen van de ‘patiëntjes’ van de Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger. Nu wil hij daarmee niet meer geassocieerd worden. 

Kinderziekenhuis in Wenen, 1921. Vanuit hier stuurde Hans Asperger vele kinderen naar hun dood in een nazikliniek. Beeld Creative Commens Wellcome Library

In 2013 publiceerde de American ­Psychological Association (APA) de herziene, vijfde editie van de Diagnostic and ­Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), de bijbel van de psychiatrie. Een van de in het oog springende veranderingen was de herziene autismeparagraaf: veelgestelde diagnoses als pdd-nos en het syndroom van Asperger ­waren afgedankt.

In plaats van al die subcategorieën – die zich in de praktijk vaak moeilijk lieten onderscheiden – krijgen mensen nu het paraplulabel ‘autismespectrumstoornis’ opgeplakt.

Het syndroom van Asperger is vernoemd naar de Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger (1906-1980). Het werd in 1994, in de vierde editie van de DSM, geïntroduceerd en groeide in een mum van tijd uit tot een wereldberoemd begrip. Nog altijd noemen vele autisten zich met trots ‘asperger’, alsof dokter Hans ze hoogstpersoonlijk heeft verwekt.

Ook verschijnen nog regelmatig populaire boeken met verhalen over ‘aspergers’, zoals Zondagskind (2018) van Judith Visser en Desnoods de hele wereld (2019) van Eva Louise Bakker.

Aspergers worden ook wel ‘hoogfunctionerende autisten’ genoemd en hebben in tegenstelling tot zogenoemde ‘klassieke autisten’ doorgaans een normale tot hoge intelligentie. Als een autist in een film of serie langskomt, is het vaak een asperger: het genie dat zijn omgeving tot wanhoop drijft met zijn onaangepaste gedrag, maar dankzij zijn bijzondere talenten toch waardering en erkenning krijgt. Het type-Sherlock Holmes, zogezegd.

Geen heroïsche eend in de nazibijt

Als autist van het aspergertype had ik het er eerst moeilijk mee dat de APA het syndroom naar de prullenbak had verwezen. Een jaar of zeven geleden las ik Aspergers paper uit 1944 voor het eerst, in een periode dat het slecht met me ging. Aspergers beschrijvingen van zijn patiëntjes waren voor mij herkenbaar en stimulerend: volgens hem was het een voordeel om een ‘scheutje autisme’ te hebben, wilde je het ver trappen in het leven.

In vrijwel alle boeken en artikelen die ik kon vinden, las ik dat Asperger in de Tweede Wereldoorlog er alles aan had gedaan om de ‘abnormale’ kinderen uit de klauwen van de nazi’s te redden. Ik vond Asperger een held, een Oskar Schindlerachtig figuur, en was er trots op het naar hem vernoemde syndroom te hebben.

Uit onderzoek van historici Herwig Czech en Edith Sheffer blijkt echter dat Asperger helemaal geen heroïsche eend in de nazibijt was. In 2010 kwam Czech met bewijs dat Asperger heeft meegewerkt aan ‘Aktion-T4’, het eugenetische programma dat zo’n tweehonderdduizend mensen het leven heeft gekost, onder wie vijf- tot tienduizend kinderen .

Doordesemd van nazipsychiatrie

Vreemd genoeg duurde het acht jaar voordat Czechs onderzoek meer bekendheid kreeg, waarschijnlijk omdat hij voornamelijk in het Duits publiceert. Vorig jaar verscheen van zijn hand een Engelstalig artikel en rond dezelfde tijd Sheffers boek Asperger’s Children. De twee studies laten zien dat Aspergers werk door­desemd was van de nazipsychiatrie.

Asperger werkte nauw samen met extreemrechtse engnekken: hij citeerde ze, nam hun terminologie over en sprak na de oorlog vol lof over hen. Een van zijn collega’s was Erwin Jekelius, een van de hoofdverantwoordelijken van het T4-programma. Asperger tekende willens en wetens het doodvonnis van zijn patiëntjes door op hun casusbeschrijvingen termen te kalken als ‘Jekelius-Aktion’ en ‘Kein Gemüt’.

Dat was codetaal voor een doorverwijzing naar de kliniek Am Spiegelgrund, waar zo’n achthonderd kinderen werden uitgehongerd of dodelijke barbituraten kregen toegediend.

Asperger had geen interesse in ‘levens­onwaardige levens’ die nooit zouden kunnen uitgroeien tot keurige, nuttige Ariërs. Professorachtige jongetjes kregen alle aandacht, meisjes beschreef hij op misogyne wijze. Aspergers reputatie ligt, kortom, aan barrels. Als ik tegenwoordig iemand de term ‘asperger’ hoor gebruiken, begin ik over zijn bruine ver­leden en over zijn misogynie.

Hoe die voormalige aspergers zich dan moeten noemen? Er is al een goed zesletterig alternatief beschikbaar: autist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden