Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Waar was dat twaalfde klotehaasje?

PlusMaarten Moll

“Heb je dat twaalfde haasje nu al gevonden?”

De meiden kwamen binnen voor het paasontbijt.

Elk jaar dezelfde vraag, elk jaar de gespeeld droevige gezichten. Pruillipjes.

Daarna beginnen ze heel hard te lachen en knijpen ze in mijn wangen.

En ik laat het allemaal gebeuren.

Het twaalfde haasje.

Het is een brandmerk, dat tijdens Pasen gloeit en klopt.

Het te goed verstopte haasje.

Het nooit teruggevonden haasje.

Oudste Dochter had zes chocoladehaasjes in haar mandje. Jongste dochter vijf.

“Er moet er nog eentje liggen hoor,” zei ik.

“We hebben overal gekeken,” klonk het vermoeid.

Ze stonden er een beetje onverschillig bij. Misschien omdat ze al twaalf en veertien waren. En ze het alleen voor die aan de traditie gebonden papa deden, die haasjes zoeken.

En ik was al zestien keer door de tuin gegaan om dat verdoemde twaalfde haasje te vinden.

Haasje kon toch niet door het gat in het vogelhuisje? (Toch in het vogelhuisje kijken.)

Onder de stenen van het graf van dwerghamster Snoetje? (Toch de stenen opgetild.)

Waar was dat klotehaasje?

“Heb je er niet stiekem zelf eentje opgegeten?” vroeg Ex.

“Nee, ik heb er niet zelf eentje opgegeten, ze zijn voor de meiden!”

“Bij oma komen we de eitjes ook nog in de zomer tegen,” zei Oudste Dochter.

“Zaten er wel twaalf in het zakje?” vroeg Jongste Dochter.

Vuilnisbak omgekiept op het terras. Wroeten in de smurrie. Overal yoghurt en koffiedik.

Ja! Twee verpakkingen. Zes haasjes per zakje.

“Dat haasje moet dus ergens liggen!” riep ik veel te hard. “Hij kan toch niet zomaar zijn verdwenen?”

“Hebben de kaboutertjes het weer gedaan, pap,” zei Oudste Dochter schijnheilig.

Mijn grap. Ik moest me enorm beheersen.

“Het is goed pap,’ zei Jongste Dochter. Ze klopte wat koffiedrab van mijn broek. “Zullen we naar binnen gaan?”

Waarom van die kleine haasjes gekocht? Waarom niet, zoals altijd, die grote, gekleurde chocolade-eieren? Waarom niet opgeschreven waar ik ze had verstopt? (Omdat ik nog niet helemaal van het padje was.)

“Het is niet erg, pap.”

Waar had dat misselijke twaalfde haasje zich verstopt? Ik gaf natuurlijk niet op.

“Pap, laat maar, kom je eten? Alles staat klaar.”

Na nog een ronde, de buurman kwam eens kijken waarom zijn buurman vloekend door de tuin liep, hoorde ik de schuifpui open knarsen.

“Je eitje wordt koud!”

Het kan me echt tot waanzin drijven.

’s Avonds laat nog met de zaklamp naar buiten.

Nu zaten er twee stemgerechtigde dames in de keuken aan het paasontbijt.

En in de huiskamer had ik, goed in het zicht, zes grote, in gekleurd zilverpapier gewikkelde chocolade-eieren verstopt. Eieren dus, hè, geen haasjes.

Voor als ze hopelijk toch nog eieren wilden zoeken.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden