Opinie

‘Vrouwelijke seksualiteit nog te vaak als risicovol gezien’

Bij de aanpak van seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam moet niet alleen gekeken worden naar ‘risicovol’ seksueel gedrag, stelt historisch onderzoeker Saskia Bultman.

Groepsportret van personeel en gedetineerde meisjes van het Rijksopvoedingsgesticht voor Meisjes te Zeist. Datering tussen 1905-1910.Beeld Het Utrechts Archief

Het rapport Vertrouwen in Veerkracht van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld naar de aanpak van seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam vertrekt vanuit het gegeven dat 48 procent van de meisjes in Nederland in hun leven seksueel geweld meemaakt. Om een beeld te geven van de problematiek worden tien casussen van individuele ‘meiden’ uit kwetsbare milieus besproken.

Het vorige week verschenen rapport beschrijft een groep jonge vrouwen uit grote eenoudergezinnen. Daar spelen huiselijk geweld, psychische problemen en drank- en/of drugsgebruik. Bij de vrouwen zelf komt schoolverzuim geregeld voor en vaak zijn ze met de politie in aanraking geweest. Zij hebben diverse vormen van seksueel geweld ervaren en vertoonden op jonge leeftijd al seksueel ‘risicovol’ gedrag. Hieronder valt onder andere het willen ‘experimenteren’ op seksueel gebied: met andere woorden, op jonge leeftijd seksueel actief zijn. De meesten hebben er een lang traject in de jeugdhulpverlening op zitten en hebben soms in instellingen gezeten.

Bij het lezen viel me op hoe sterk deze vrouwen lijken op de jonge vrouwen die in de eerste helft van de twintigste eeuw in het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes terechtkwamen. Dit gesticht was bedoeld voor langdurige heropvoeding van verwaarloosde en misdadige meisjes. De meisjes kwamen meestal uit arme gezinnen, vaak was één van de ouders overleden en soms was er sprake van drankmisbruik of huiselijk geweld. Geregeld kwamen deze meisjes in aanraking met de politie, bijvoorbeeld omdat zij geld of sieraden van hun werkgeefster hadden gestolen.

De meisjes werden hoofdzakelijk opgenomen vanwege wat werd gezien als hun losbandige seksualiteit. Boven alles was de gestichtsstaf bezorgd dat ze ongehuwd zwanger zouden raken of in de prostitutie terecht zouden komen. In het gesticht werden zij omgevormd tot toekomstige huismoeders.

Aaltje P.

Een voorbeeld van zo’n meisje is Aaltje P., die in 1927 werd opgenomen. Zij was met de kinderbescherming in aanraking gekomen omdat zij ‘onverschillig en onhandelbaar’ was. Ze ‘kwam ’s avonds te laat thuis en liep met jongens’ en was ‘leugenachtig, slordig op haar kleding en onzindelijk op haar lichaam’. In het gezin en op school waren er problemen. De moeder van Aaltje was ‘driftig en onvriendelijk’ en schold haar uit, en Aaltje had op school nergens ‘lust’ in en ‘deed niets liever dan praten en lachen’.

Toen ze uit werken ging, als dienstmeisje, bleek dat ze ‘elk gevoel van plicht’ miste en dat terechtwijzingen geen vat op haar hadden. Omdat haar vader de situatie onhoudbaar vond, drong hij aan op uithuisplaatsing. Aaltje kwam achtereenvolgens in een trits instellingen terecht en omdat zij niet veranderde werd ze naar het Rijksopvoedingsgesticht gestuurd. Daar zat ze tot haar 21ste, het jaar dat ze meerderjarig werd en de kinderbescherming haar uit het zicht verloor.

Andere meisjes kwamen in het Rijksopvoedingsgesticht terecht na wat we tegenwoordig zouden bestempelen als seksueel geweld, zoals Harmina J., die het slachtoffer was van incest door haar stiefvader, of Dingena G., die als minderjarige een ‘verhouding’ was aangegaan met de echtgenoot van haar werkgeefster, bij wie ze inwoonde.

Hulpverleningstraject

Nu nog, zoals blijkt uit Vertrouwen in veerkracht, komen meisjes met een verleden van seksueel ‘risicovol’ gedrag en seksueel geweld vaak in een lang hulpverleningstraject terecht, waarbij zij soms in instellingen belanden.

Dit probleem kan alleen worden opgelost als we anders gaan denken over seksualiteit. Het is mogelijk dat het Aaltje, Harmina en Dingena anders was vergaan als er geen dubbele moraal was geweest op dit gebied. Omdat een actieve seksualiteit bij meisjes werd afgestraft en bij jongens niet, konden meisjes voor seksueel ‘wangedrag’ (waaronder dus ook seksueel geweld) in de institutionele jeugdzorg terechtkomen – terwijl de betrokken jongens meestal vrijuit gingen.

Nog steeds wordt actief seksueel gedrag van meisjes te vaak beschouwd als iets dat gereguleerd moet worden, terwijl hetzelfde gedrag bij jongens nauwelijks aandacht krijgt. Totdat een actieve vrouwelijke seksualiteit niet alleen als risicovol, maar ook positief kan worden beschouwd – deze suggestie van een professional in het rapport komt niet terug in de algemene aanbevelingen – lijkt de situatie nog te veel op die van honderd jaar geleden.

Saskia Bultman.

Saskia Bultman

Promoveerde op een onderzoek naar het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes en is momenteel werkzaam als zelfstandig historisch onderzoeker.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden