Opinie

‘Vraag juist minder van de burgemeesters bij bestrijden drugscriminaliteit’

Burgemeesters lopen schade op door hun toenemende rol als crimefighter, stellen docent Jan van der Grinten en hoogleraar bestuursrecht Jon Schilder. ‘De burgemeester is in toenemende mate slachtoffer van bedreiging en intimidatie uit zwaar criminele hoek.’

Burgemeester Halsema en hoofdcommissaris Frank Paauw geven tekst en uitleg aan de gemeenteraad. Beeld Remko de Waal/ANP

Burgemeesters doen noodoproep aan Den Haag om drugseconomie tegen te gaan, aldus een van de krantenkoppen afgelopen week. Een groot aantal burgemeesters roept de regering met een brandbrief op tot ingrijpende maatregelen. Het is terecht dat deze ­burgemeesters zich tot Den Haag wenden. In de kern komt hun boodschap erop neer dat zij de bestrijding van drugs­criminaliteit niet alleen afkunnen. Wij onderschrijven dat en menen dat de rol die de burgemeester toebedacht krijgt bij de bestrijding van drugscriminaliteit te groot is geworden. Dat kan de positie van de burgemeester ondermijnen. Het burgemeestersambt is namelijk niet ingericht voor de frontlinie van de zware-criminaliteitsbestrijding.

In ons staatsbestel is de burgemeester van oudsher belast met de feitelijke handhaving van de openbare orde. Buiten de handhaving van de openbare orde heeft de burgemeester geen zeggenschap over de politie. Opsporing en vervolging van strafbare feiten daarentegen, zijn het exclusieve domein van justitie. Het Openbaar Ministerie is daarvoor verantwoordelijk en de politie staat bij opsporing en vervolging dan ook onder diens gezag. Het Openbaar Ministerie is voor deze taak uitgerust met veel bevoegdheden die de burgemeester niet heeft: het kan met de inzet van functionarissen die voor het publiek onzichtbaar blijven verdachten volgen, afluisteren, aanhouden, in hechtenis nemen, voor de rechter brengen, gegevens opvragen, getuigen horen et cetera.

Drugspanden

In de afgelopen decennia is de burgemeester door de wetgever opgetuigd met nieuwe bevoegdheden tegen overlast, waaronder sluiting van drugspanden. Het gebruik van deze bevoegdheden heeft een vlucht genomen die niemand had kunnen voorspellen. Burgemeesters sluiten bijvoorbeeld jaarlijks honderden woningen en andere gebouwen van waaruit drugshandel plaatsvindt.

In veel gevallen heeft dat nog weinig te maken met de bestrijding van overlast, maar alles met de handhaving van strafrechtelijke normen. De burgemeester lijkt daarmee in justitieel vaarwater verzeild te zijn geraakt. Ook in plaatselijke verordeningen zijn steeds meer burgemeestersbevoegdheden komen te staan met het oog op de bestrijding van (georganiseerde) criminaliteit. Op basis daarvan sluiten burgemeesters cafés, belwinkels, kiosken en garagebedrijven in geval van vermoedelijke betrokkenheid bij drugsdelicten en witwasactiviteiten. Evenals de sluiting van drugspanden gaat dat relatief gemakkelijk, omdat de strenge strafrechtelijke bewijsregels voor dergelijke bestuurlijke maatregelen niet gelden.

Jan van der Grinten. Advocaat/partner bij ­Kennedy Van der Laan, ­docent aan de Universiteit Leiden.

Inmiddels is er geregeld kritiek te beluisteren op deze ontwikkeling waarin de burgemeester zich ontpopt als misdaadbestrijder. Zo kwam eerder dit jaar de Tielse burgemeester Hans Beenakker in het nieuws die zich beklaagde over zijn steeds grotere rol als ‘sheriff’. Veel van zijn collega’s hebben publiekelijk vergelijkbare zorgen geuit, al lopen de opvattingen over de rol die zij zouden moeten spelen uiteen.

De zorgen over de rol van de burgemeester zijn volkomen terecht. Zijn positie in de front­linie van criminaliteitsbestrijding vormt een serieuze bedreiging van het burgemeestersambt. De burgemeester is in toenemende mate slachtoffer van bedreiging en intimidatie uit zwaar criminele hoek. Als aanklacht tegen dit fenomeen werd de Machiavelliprijs 2019 toegekend aan ‘de bedreigde burgemeester’.

Het juryrapport noemt de bedreigde burgemeester ‘een publiek instituut dat niet meer in staat is te communiceren vanwege geweldsdreiging’. Het kabinet wees er pas nog op dat bedreiging van burgemeesters in het bijzonder bij ondermijnende criminaliteit onderdeel kan zijn van het bedrijfsmodel van criminelen.

Minder aantrekkelijk

Het is menselijkerwijs veel gevraagd van burgemeesters om zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden niets aan te trekken van dit soort bedreigingen. Bovendien dreigt het ambt er minder aantrekkelijk door te worden.

Afnemend animo voor het burgemeesterschap kan de kwaliteit van het openbaar bestuur aantasten. De rol van burgervader komt in het gedrang. Een burgemeester die voortdurend op zijn hoede moet zijn, kan zich niet meer onbezorgd tussen het publiek begeven en zal minder onbevangen zijn in contacten met de lokale samenleving. Pieter Tops en Jan Tromp wijzen er in hun recente rapport De achterkant van Amsterdam terecht op dat de aanpak van drugscriminaliteit een actieve rol vergt van de rijksoverheid. De noodoproep van de burgemeesters sluit daar naadloos op aan.

Jon Schilder. Hoogleraar staats- en ­bestuursrecht aan de Vrije Universiteit.

Wij menen dat de aandacht verlegd moet worden naar primair de minister van Justitie en Veiligheid alsook het Openbaar Ministerie, dat zo nodig met extra bevoegdheden moet worden uitgerust. De bestrijding van georganiseerde misdaad is in de eerste plaats een justitiële verantwoordelijkheid. De burgemeester kan die op vele manieren ondersteunen, maar door hem als ‘probleemeigenaar’ aan te wijzen, dreigt zijn positie te worden ondermijnd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden