Opinie

‘Voor wie is het 75 jaar vrijheid? De Indische gemeenschap is niets gevraagd’

Nederland viert dinsdag 75 jaar vrijheid. Griselda Molemans vraagt zich af voor wie dat eigenlijk geldt. ‘Van alle Nederlanders wacht 10 procent nog altijd op rechtsherstel.’

West-Timor: na de bevrijding wordt een Japanse officier ondervraagd door een officier van de Nederlandsch-Indische Civiele Administratie (Nica).Beeld Nationaal Archief / Anefo

Terwijl de pr-machine voor 75 jaar vrijheid in 2020 op ­volle toeren draait, ontgaat veel Nederlandse media de stille tragiek: 10 procent van de Nederlandse bevolking wacht nog altijd op de afhandeling van het rechtsherstel als nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië.

Het gaat om de Indische gemeenschap, die inmiddels zo’n 1,8 miljoen mensen telt. Waarbij de term ‘Indisch’ een pars pro toto is voor een veelheid aan etniciteiten: variërend van Hollandse gezinnen die als tijdelijk uitgezonden krachten direct na de Japanse bezetting van de kolonie Nederlands-Indië werden gerepatrieerd tot de Indo-Europese, Molukse, Chinese, Toegoenese, Indo-Afrikaanse, Papoea, Surinaamse, Antilliaanse en Indonesische gezinnen die vanwege hun loyaliteit aan ‘Koningin, volk en vaderland’ tussen 1950 en 1970 nood­gedwongen naar Nederland zijn gekomen.

Het is deze groep – de grootste minderheid in dit land – aan wie de Nederlandse staat tot op de dag van vandaag ten minste 36,5 miljard euro verschuldigd is op basis van een reeks openstaande, overerfbare dossiers. Het is lastig uit te leggen aan de gemiddelde Nederlander, maar deze slepende kwestie betreft onder meer nooit uitbetaalde salarissen, oorlogscompensatieregelingen, bank- en spaarsaldi en verzekeringspolissen.

‘Troostmeisjes’

Door het beleid van successievelijk dertig naoorlogse kabinetten is dit onrecht onzichtbaar gemaakt. Wat evenmin helpt, is dat het Indisch Platform als ‘vertegenwoordiger’ van de Indische gemeenschap bestaat uit lakeien van de overheid, die zich tijdens de onderhandelingen vanaf 1998 volledig van tafel hebben laten spelen.

Toegegeven, de materie is complex. Zo is er bedrog gepleegd door de Nederlandse overheid door twee derde van de kapitale Indische goudvoorraad vlak voor de Japanse invasie van de kolonie in het diepste geheim weg te sluizen naar de kluizen van de Federal Reserve in New York. Zo blijkt de salarisverplichting (‘backpay’) aan 82.000 ambtenaren en Knil-militairen helemaal niet overgedragen te zijn aan de Republiek Indonesië in 1949, maar berust deze nog altijd bij de staat. Dezelfde staat die in 1966 van de Indonesische regering schadevergoeding eiste voor de duizenden ontheemde gezinnen die in de periode 1957-1962 gevlucht zijn uit Indonesië en van Nieuw-Guinea. Het leeuwendeel van de 600 miljoen gulden plus rente werd echter door de staat zelf geïncasseerd.

Het is ook dezelfde staat die doelbewust al het doorslaggevende bewijs dat de Japanse keizerlijke legertroepen en marinevloot een systeem van dwangprostitutie exploiteerden, achter slot en grendel heeft gelegd in het Niod en het Nationaal Archief. Met tegenwerkende kracht heeft de staat een vals narratief gecreëerd als zouden ‘65 en mogelijk 300 jonge vrouwen’ daar slachtoffer van zijn geworden in Nederlands-Indië. De onthutsende waarheid is dat ten minste 70.000 jonge vrouwen zijn misbruikt in de archipel: Hollandse, Indische, Indonesische, Molukse en Papoea, aangevuld met Koreaanse, Taiwanese, Australische en Amerikaanse ‘troostmeisjes’.

Indisch Herinneringscentrum

De slepende ‘Indische kwestie’ valt plat in dit land vanwege een compleet gebrek aan historische kennis. En vanwege een ingesleten metaalmoeheid als zou ‘het Indische verhaal onderhand wel bekend zijn’. Het is de ironie ten top dat ver buiten Nederland historici en journalisten doordrongen zijn van de belangrijke strategische positie die de oude kolonie tijdens de oorlog innam. Als ‘springplank’ voor de geallieerde tegenaanval op Japan in 1944 en als blinde vlek in de internationaal slepende ­kwestie van de uitgebleven Japanse excuses aan de slachtoffers van de oorlogsmisdaad dwangprostitutie.

Dus wat valt er te vieren op 5 mei 2020? Waarom dient slaafs gezwaaid te worden met rood-wit-blauwe vlaggetjes, wanneer de Nederlandse overheid de grootste minderheidsgroep willens en wetens heeft geofferd voor grote financiële belangen? Terwijl na de oorlog met spoed werd gecheckt of het Indische goud van de koninklijke familie veilig en wel in de kluizen van de Fed lag, konden de banksaldi en polispremies van rechthebbenden zogenaamd niet worden uitbetaald, omdat ‘de Jappen al het goud hadden gestolen’.

Voor wie is het eigenlijk 75 jaar vrijheid? De Indische gemeenschap zelf is helemaal niets gevraagd, maar heeft als ‘aflaat’ een volslagen overbodig Indisch Herinneringscentrum in de schoot geworpen gekregen, in combinatie met een ‘collectieve erkenning’ die niet namens het collectief is uitonderhandeld. De Indische ­geldkwestie verdwijnt hiermee niet van tafel. Die blijft pijn doen. Als een gordelroos van ­smaragd.

Griselda Molemans, onderzoeksjournalist, documentairemaker en auteur van Levenslang oorlog.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden