Opinie

‘Voor Theo van Gogh ging het vrije woord voor alles’

Jan Haasbroek interviewde in 2000 Theo van Gogh. Vijftien jaar na de moord brengt hij een ode aan hem. ‘Het is ­onwaarschijnlijk dat er een tweede Van Gogh opstaat.’ 

Theo van Gogh, hier in 1991. Beeld ANP Kippa

Ik ben een fan van Theo van Gogh. Altijd geweest. Ik hield en houd nog steeds van de bijkans fundamentalistische manier waarop hij in zijn oorlog der ideeën het vrije woord verdedigde. Daar is alles voor te zeggen, omdat ­wij er – zoals de Britse denker John Stuart Mill ons in 1859 al leerde – nooit zeker van kunnen zijn dat de mening die wij trachten te onderdrukken onjuist is.

Bijna nog meer hield ik van de bh die hij om zijn hoofd knoopte en de varkenssnuit die hij voorbond om zijn pielemuis in een ander daglicht te plaatsen. Ik weet dat hij de dames van de schmink verzocht om uitsluitend zware wallen onder zijn ogen aan te brengen. Ik hoorde hoe hij zijn kruidenier twee tientjes gaf toen die zijn film niet leuk gevonden had.

Verrader of nazi

Bij zijn crematie mocht je pas aan de champagne als je eerst een hap van zijn as genomen had. Iemand die zich op zo’n weldadige manier weet te relativeren is als enfant terrible veel meer kind dan lastpak. Tussen de kogels en het mes vroeg hij zijn moordenaar nog of er niet over te praten viel. Maar godsdienstfanaten – schreef Connie Palmen al – lappen aan hun laars dat wederzijdse verhoudingen je schuldig maken aan het bestaan van de ander.

Van Gogh ging met verve over schreven. Toen Theo een keer als gastpresentator optrad bij Radio Rijnmond mocht hijzelf het thema kiezen. Dat werd, het kon niet uitblijven, ‘Het beste dat Rotterdam kon overkomen was het bombardement’. Wie hem die uitzending kwalijk nam was onmiddellijk een verrader of – natuurlijk nog liever – een nazi.

Theo kon ook goed verwarring zaaien. Als hij krachtig stelling nam, kwam dat alleen maar voort uit een hartverscheurende twijfel. Als nihilist wilde hij niet onverschillig zijn. Je moest koorddansen tussen jezelf belachelijk maken en jezelf serieus nemen. Hij zag zichzelf als anarchist zonder roeping en als charmante rat.

Cactus kussen

Als je je afvroeg hoe dat allemaal tegelijkertijd kon, zette hij alles weer op losse schroeven door doodleuk te beweren dat hij altijd loog, behalve in zijn columns die hij voornamelijk schreef om te amuseren. Driedubbeler worden de tosti’s nooit meer gebakken.

Theo van Gogh hoorde voor mij – met Ischa Meijer en Frans Bromet – tot de top van de Nederlandse ondervragers op radio en televisie. In nieuwsgierigheid, improvisatietalent en het verlangen om snel tot de kern door te dringen, staken ze elkaar naar de kroon, maar bij Van Gogh kon je je als geïnterviewde het meest op je gemak voelen. Daarna moest je een cactus kussen.

Voor onze rubriek Eeneiige Ondervragingen in Broadcast Magazine praatten mijn tweelingbroer Nico en ik in december 2000 met Van Gogh over het vak. Op mijn vraag wat hij het beste kon, het liefste deed en het moeilijkste vond, antwoordde hij: ‘Ik denk dat ik het beste columns kan schrijven, het liefste maak ik films en dat is ook het moeilijkst.’

Overspelige gedachten

Was hij gevaarlijker als hij zijn pen in de inkt doopte dan wanneer hij op de televisie interviewde? “Ja,” zei Theo, “maar dat is een ander vak. Ik zit daar niet om te winnen van die mensen die ik interview. Daar is mijn ego niet groot genoeg voor. Bij een column ligt dat anders, die moet amusementswaarde hebben en er moet ook nog een mening in staan.”

Nico vroeg: “Heb je een vooropgezet doel als je iemand ondervraagt?” Van Gogh: “Nee, ik benader de mensen onbevangen. Om sfeer te maken stel ik vragen als: heeft u wel eens last van overspelige gedachten? Of: bent u wel eens vreemd gegaan? Bolkestein antwoordde op de laatste vraag: ‘Lang geleden, meneer Van Gogh, lang geleden.’”

Tot slot vroeg mijn broer: “wat wil je met je leven?” Van Gogh: “Weet ik niet. Ik wil films maken en daarna misschien nog eens gelukkig worden in de liefde, in die volgorde. Het zal geen van beide lukken, denk ik. En ik wil dat mijn kind fatsoenlijk groot wordt.”

Functioneel beledigen

Het is onwaarschijnlijk dat er een tweede Van Gogh opstaat. De combinatie van scherp interviewer, empathisch acteursregisseur en stilistisch begaafd onruststoker ligt daarvoor te weinig voor de hand. 

Hij verdient het alleen al lang in ons geheugen te blijven vanwege zijn weergaloze typeringen als ‘de goddelijke kale’ (Pim Fortuyn), ‘de likkende deurmat’ (Paul Witteman) en ‘de sprekende stroopwafel’ (Ate de Jong). Theo beledigde liefst functioneel, zoals hij zelf zei.

Het is evenmin waarschijnlijk dat Van Gogh in het discours van vandaag nog even succesvol zou zijn. Weliswaar deed hij in bad manners niet onder voor Donald, Boris en Thierry, maar hij was wars van marktgedreven media en moest als waakhond van het vrije woord niets hebben van nepnieuws. 

Hij was geen Kim Kardashian, wilde geen merk zijn en zocht geen miljoenenpubliek dat zich aan hem zou moeten spiegelen. Alleen de ongebreidelde vrijheid van meningsuiting was zijn bubbel.

Jan Haasbroek, journalist, oud-chef van VPRO Radio, TV Rijnmond en Human. Studeert sinds 2015 ­Wijsbegeerte aan de UvA.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden