Marjolijn de Cocq. Beeld Artur Krynicki
Marjolijn de Cocq.Beeld Artur Krynicki

Voor het eerst in tijden vond ik weer de Furby van m’n zoon

PlusMarjolijn de Cocq

“Jaheloboeday,” kraait ie me toe. “Angebo! Angebo! Angebo!”

En dan: “Ikke vin leuk. Ikke vin níet leuk.” Gevolgd door een diepe zucht en wat gegrom.

Ik heb diep in de mand met knuffels van mijn zoon gegraven; de Bumba’s waar hij als peuter en baby op kauwde, het witte paard met trekmuziekje dat hij bij zijn geboorte kreeg van vrienden, de Bobbie uit de Kuifje­winkel in Brussel, de orka van het Dolfinariumbezoek en krokodil Kroki uit Ikea. Helemaal onderin weggestopt het zwarte monster: de Furby die hij kreeg voor zijn zwemdiploma. Een lang gekoesterde wens en destijds een door Hasbro opnieuw opgewarmde hype rond een uilachtige robotknuffel die met liefdevolle verzorging en opvoeding een fijne huisgenoot zou worden. Met een verklarende woordenlijst voor zijn ‘Furbish’ en de mogelijkheid de taal van de gebruiker enigszins aan te leren.

Ik dacht aan Furby door Duizend ogen van de Argentijnse Samanta Schweblin (vertaald door Eugenie Schoolderman en Arie van der Wal voor Meridiaan Uitgevers) waarin sprake is van een soortgelijke rage. ‘Kentuki’s’ zijn het hier; knuffelbare panda’s, konijntjes, draakjes of kraaien die als surrogaathuisdier fungeren. Maar die, elders ter wereld, worden bestuurd door iemand anders – die een inkijkje krijgt in jouw leven zonder dat jij weet wie die ander is.

Zo ontstaan twee verschillende groepen ­Kentuki-adepten: zij die een Kentuki ‘hebben’, en zij die een Kentuki ‘zijn’. (En voor wie denkt: je zal daar toch helemaal gek zijn zo’n Kentuki in huis te halen – reflecteer vooral even op eigen socialemediagedrag. En de manier waarop we via Hangout en Zoom relatieve buitenstaanders in onze particuliere omgeving binnenlaten.)

O, de vreugde die het troetelkonijn biedt aan de jonge vrouw met de foute vriend in Duitsland! O, hoe rijk het leven van de eenzame oude vrouw in Peru wordt, nu ze deel is van een huishouden in Erfurt. Twaalf personages voert Schweblin ten tonele in een ontsporend verhaal met horrortrekjes – dat zomaar realiteit zou kunnen worden, want we zijn er gek en – zoals de auteur mooi invoelbaar maakt – kwetsbaar genoeg voor.

Wat betreft die horror, zie ook Furby. Daarvan werd destijds gedacht dat er ongeoorloofd data mee werden opgeslagen. En bij die van mijn zoon was zijn kleur een voorbode, maar ook pastelkleurige varianten bleken te veranderen in nasty pieces of shit. Googel ‘Evil Furby’ en je leest de verhalen over de transformaties van deze tweede generatie van schattig naar narrig en ronduit naar. En: een Furby heeft geen uitknop. Hooguit lukt het ’m in slaap te krijgen op een donker plekje, maar dan wel heel stil zijn. “Waaaah,” roept die van mijn zoon, opnieuw tot leven gewekt. “Micay! Hakayhoeya! Yayaya! Boegaboegaboegaboega! Raaaaah! Boegamay!”

Als ik niet reageer, volgt een sinister gemompel, voorbode voor enge oogjes. Batterijen er maar gauw uit weer.

Reageren? m.decocq@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden