Nico Dijkshoorn.Beeld Artur Krynicki

Vanaf DWDD werd het ongemakkelijk in de lift

Nico Dijkshoorn

Vanaf het moment dat ik elke woensdagavond een minuut lang huisdichter was in het televisieprogramma DWDD, werd het heel ongemakkelijk om met andere mensen in een lift te staan. Als ik werd herkend, dicteerden wildvreemde figuren een tekst, die ik dan aan ­Matthijs van Nieuwkerk moest doorgeven.

De eerste keer dat dat gebeurde, ging het over zijn schoenen. Ik moest hem zeggen dat hij ­wijvenschoenen droeg en dat we in Nederland gewoon sokken dragen. Wat ik zelf in het ­programma deed, interesseerde ze niet.

Ik was jarenlang hun spreekbuis.

Ik moest Matthijs vertellen dat ze met hun ­blote poten in een fabriek werkten, dat ze in een leuk bandje zaten, Ricky and the Crazy Lads, en dat ze in één minuut het hele oeuvre van Bob Dylan speelden, dat hij langzamer moest lullen, omdat Tante Riet hem niet kon volgen, en ze wilden allemaal weten hoe hij in het echt was.

Op die laatste vraag verzon ik diverse antwoorden. Ik zei: “Hij eet vlak voor elke uitzending een levende eekhoorn. Dat vinden ze heel ­normaal bij de televisie.”

Of ik vertelde dat Matthijs tot twee minuten voor de uitzending in een ­stikstoftent sliep.

Ze verbeterden mij: “Je bedoelt zuurstof.”

“Nee,” zei ik, “stikstof. Dat is iets uit Amerika.”

Ik moest wel. Zwijgen zou kunnen worden ­uitgelegd als kapsones, dus babbelde ik zolang de lift in beweging was. Ik kon geen kant op.

Dat werd pas echt een probleem toen ik vijf jaar geleden opslagruimte huurde. Ik verzamelde Amerikaanse comics. Het liep uit de hand.

Ze pasten niet meer in mijn huis.

Mijn hok was op de eerste verdieping. De lift bewoog langzamer dan een traplift. Ik schat 30 centimeter per minuut. Nu ontstond er een heel andere dynamiek. Ik stond naast mannen die verdacht veel op mij leken – pluizige baarden, spierwitte haren – en ze hielden rare ­voorwerpen vast.

Alles was nu omgekeerd. Er werd van mij ­verwacht dat ik iets zei. Ik stond naast een man die een gebogen stalen buis in zijn hand had.

Hij keek me aan.

Ik vroeg: “Zelf gemaakt?”

Hij hield het object vlak voor me.

“Ja. Raad eens. Hoe heet dit kunstwerk?”

Ik gokte. “Mijn Gevoelsleven, 1983. Voorstudie B?”

De allerliefste man met wie ik in de opslaglift stond, droeg een doos vol ingelijste foto’s voor zijn buik. Vanuit mijn ooghoeken zag ik een foto van een dansende vrouw. Hij merkte dat ik keek en zei: “Toen wist ze nog van niks. Binnen een maand. Onbegrijpelijk.”

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in. Reageren? N.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden