Johan Fretz Beeld Artur Krynicki

Vaarwel Arjen Robben

Plus Johan Fretz

Noodgedwongen bekeek ik opnieuw hoe Arjen Robben solo op keeper Iker Casillas afstormde in de WK-­finale van 2010. Ik weet niet wat het over mij zegt dat ik vlak nadat Robben had aangekondigd zijn voetbalschoenen aan de wilgen te hangen, juist dat moment opzocht. Je zou het een hang naar zelfkwelling kunnen noemen, maar dat is het niet. Ik had het inmiddels al tientallen keren teruggezien en elke keer deed het weer pijn, maar toch keerde ik er altijd bij terug. 

Ergens in mij bleef, telkens opnieuw, de krankzinnige hoop leven dat die bal er deze keer wel in zou gaan. Dat die Spaanse teen op de grond zou blijven, dat de bal net vijf centimeter hoger zou worden ingespeeld, of dat Robben – zoals hij vier jaar ­later pas zou doen – met een schijnbeweging om ­Casillas heen zou dansen en het leer genadeloos ­tegen het netje zou knallen.

Diezelfde Robben stopt er nu mee en komt dus niet nog een jaartje naar Amsterdam, iets waar ik, ook al tegen beter weten in, op had gehoopt. Het is een vreemd gevoel, dat bijna alle grote voetballers van mijn eigen generatie nu zijn gestopt. Nou ja, behalve Wesley Sneijder dan, maar die trapt tegenwoordig niet meer tegen ballen aan, alleen nog tegen autoruiten. 

Ik moest denken aan het bitterzoete lied Sporters, van Lucky Fonz: ‘En alles ging zo snel voorbij. En nu is-ie zo oud als mij. En als je op die leeftijd bent, dan word je coach of assistent. En ik weet niet eens waarom. Maar ik krijg tranen in m’n ogen. Ik krijg tranen in m’n ogen, als ik hem op en neer zie lopen, langs de kant van het veld.’

En daarna dacht ik aan die avond, 11 juli 2010, in dat piepkleine studiootje op de Kinkerstraat, driehoog, ramen open, waarin wij, allemaal net afgestudeerd, met vijftien man op elkaar gepropt zaten. En hoe we daar, dankzij de hoogmoed van de jeugd overtuigd van de overwinning, de finale projecteerden op de enige muur waaraan geen gitaarstandaarden zaten vastgeschroefd. En hoe we dwars door het kalme stemgeluid van Frank Snoeks en het snerpende orkest van vuvuzela’s heen, in de verte het broeierige gebrul hoorden op het Museumplein. We waren al half van onze stoelen opgesprongen, klaar om te juichen…

Nu, negen jaar later, leek zijn aangekondigde afscheid mij een dwingende aansporing om ook dat gewraakte moment eindelijk vaarwel te zeggen. Ik besloot dat ik het fragment van Robben en Casillas vanaf nu nooit meer zou terugkijken. Het was tijd voor nieuwe helden, op nieuwe velden, dat was het afgelopen seizoen ook wel gebleken. Wat overbleef was de herinnering op het eigen netvlies.

Worden we aan het einde van de rit gedefinieerd door de momenten waarop het net niet lukte? Niet de momenten waarop we ons onsterfelijk maakten, maar juist die waaruit onze sterfelijkheid sprak? Ja, misschien is dat wel wat iemand echt legendarisch maakt: dat hij geen God, maar een feilbaar mens blijkt te zijn. Je zou het kunnen geloven. Het is in elk geval de reden dat zelfs ik, geboren in 1985, tot in de eeuwigheid zal weten wie Rob Rensenbrink is. Zo zal ik mijn kinderen later vertellen over die watervlugge Groninger, een witte Usain Bolt op kicksen, met zijn verbeten kop, de mond half open, die ons in Johannesburg bijna naar dat zo lang verlangde goud schoot. 

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij heeft een wekelijkse column in de krant.

Reageren? j.fretz@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden