Opinie

'UvA, doe ook eens iets voor de buurt'

De UvA moet bij haar vastgoedtransacties ook immateriële belangen meewegen en iets van haar imago als rood bolwerk in stand houden, stelt Tim Verlaan. Opnieuw worden buurtbelangen ingeruild voor rendement.

Het in 1971 gebouwde, en in 1994 alweer gesloopte 'Maupoleum' van de UvA aan de Jodenbreestraat. Beeld /

Hoewel de bezetting van het Bungehuis geen direct verband houdt met de recente verkoop van het gebouw, richt de kritiek van de bezetters zich in belangrijke mate op het universitaire vastgoedbeleid. Het college van bestuur (CvB) reageerde op een voor vastgoedbezitters gepaste wijze: de bezetters moeten op straffe van een onbetaalbare dwangsom weg uit 'hun' Bungehuis.

De UvA verdient naar schatting tussen de vijftien en twintig miljoen euro aan de verkoop van het monumentale pand. Even verderop staat ook het P. C. Hoofthuis in de etalage. In de Spuistraat ontstaat zo een vijfsterrenhotelcluster waar de gewone Amsterdammer niets meer te zoeken heeft. Vanuit rendementsbelangen is de uitverkoop misschien een slimme zet, juist nu de binnenstedelijke hotelhausse een hoogtepunt bereikt, maar misschien moet de UvA proberen iets van haar imago als rood bolwerk in stand te houden door bij vastgoedtransacties ook immateriële belangen mee te wegen.

Het is niet de eerste keer dat een CvB buurtbelangen inruilt voor rendement. Bij de bezetting van het Bungehuis zijn vaak parallellen getrokken met die van het Maagdenhuis in 1969. Minder bekend is dat ook toen het universitaire vastgoedbeleid een rol speelde.

In de jaren zestig explodeerde het aantal studenten, en in haar zoektocht naar geschikte huisvesting dacht de universiteit, in lijn met het stedenbouwkundig denken uit die tijd, aan moderne en grootschalige nieuwbouw. Bekende voorbeelden van de expansiedrang zijn het inmiddels gesloopte Maupoleum aan de ­Jodenbreestraat en de zogenoemde Doodskist aan het Weesperplein: kantoorpanden die de UvA bij gebrek aan beter huurde van projectontwikkelaars en beleggers.

Steun van het rijk
Halverwege de jaren zeventig ging de UvA echter ook zelf vastgoed aankopen. Met steun van het rijk, dat tot 1995 formeel eigenaar was van het universitair onroerend goed, werden in de binnenstad leegstaande kantoorgebouwen als het Bungehuis aangekocht. Door het in bezit houden en de aankoop van een tiental andere locaties ontpopte de UvA zich als één van de belangrijkste vastgoedbezitters in de Amsterdamse binnenstad.

In twintig jaar is de universiteit zich ook als zodanig gaan gedragen, vooral nadat zij in 2008 enorme leningen had afgesloten om de clustering van vier faculteitscampussen te realiseren. Met het vastgoed kwamen de financieel specialisten: inmiddels houdt één op de tien medewerkers van het Maagdenhuis zich bezig met onroerend goed.

De UvA verdient nu goed geld aan de verkoop van het Bungehuis en straks ook aan het P. C. Hoofthuis. De vraag is echter of het CvB naast rendement ook andere belangen laat meespelen. In de eerste plaats maakt de toegankelijkheid van het monumentale Bungehuis plaats voor de beslotenheid van de elitaire hotelclub Soho House. Dat is goed voor de economie en goed voor de buurt, stellen ontwikkelaars en politici, maar hoeveel banen levert zo'n hotel nu eigenlijk op? En wat hebben de buren aan nóg een duur restaurant en spavoorzieningen?

Het interieur van een pand dat met gemeenschapsgeld is onderhouden, verandert van een stijlvolle plek om te studeren in het speelterrein voor de creatieve jetset. In de tweede plaats is het clusteren van hotel- en universiteitsfuncties eigenlijk een terugkeer naar het verguisde stedenbouwkundige denken van de jaren zestig.

Kop koffie voor vier euro
Een levendige binnenstad is juist gebaat bij functiemenging. De belangrijkste reden dat een kop koffie in de Spuistraat nog geen vier euro kost, is de aanwezigheid van studenten en universiteitsmedewerkers, die met hun bestedingspatroon jarenlang toeristenprijzen hebben gedrukt. Dat gaan buurtbewoners ook merken, evenals de levendigheid die studenten brengen. Als de wereldeconomie in het laagseizoen even ­tegenzit en de toeristen wegblijven, verandert de Spuistraat in een steriele en donkere spookstraat.

De marktsituatie maakt het onmogelijk zonder forse subsidies iets anders dan luxehotels te realiseren in de voormalige universiteitspanden. Maar in plaats van mee te waaien met de economische wind, had de UvA ook kunnen kiezen voor de handhaving van studentenbolwerken in het binnenstedelijk toeristenreservaat, of had zij op z'n minst duidelijke verkoopvoorwaarden kunnen stellen aan de ontwikkelaars.

Het zou de bestuurders sieren als zij zich bij de verkoop van het P. C. Hoofthuis niet opstellen als keiharde zakenlieden, maar deze kans aangrijpen om ook iets voor de buurt te doen.


Wilt u reageren op dit artikel? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen.

Tim Verlaan

doet als promovendus aan de UvA ­onderzoek naar stadsvernieuwing in de jaren zestig en zeventig.
Tim Verlaan Beeld Eigen foto
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden