Plus Column

Twee beslagengels met vleugels van poedersuiker

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Aan de voet van de Noorderkerk is een oude vrouw spek en champignons aan het bakken. Haar dochter maakt de pannenkoeken. Er staat een rij. Iedereen die langs de marktstal loopt, ruikt vroeger. Ruikt thuis.

Ik veeg wat poedersuiker van een klapstoel en ga zitten. Mijn zoon komt op mijn schoot zitten en bestelt een pannenkoek met poedersuiker voor zichzelf en een pannenkoek met kaas voor mij. De oude vrouw draait het spek om en dan zwaait ze naar mensen die langslopen.

"Dat zijn onze buren. We wonen in Edam. We hebben zeven buren," zegt ze. Ik ben jaloers op haar. Ik woon in Amsterdam en weet niet hoe veel buren ik heb. In mijn straat wonen honderden mensen. Van vijf mensen weet ik de voornaam.

Met een plastic mes snijd ik de pannenkoek van mijn zoon in zes stukken. Hij eet met zijn handen. Ik vind het fijn als hij met zijn handen eet. Netjes eten is overgewaardeerd. Eten draait om genieten, niet om het willen imponeren van etiquettefetisjisten.

Een paar dagen geleden zaten we in een lunchroom en daar at hij een tosti met mes en vork. De serveerster zag het en noemde hem een grote jongen. Het engeltje op mijn schouder begon te blozen van trots, maar het duiveltje verliet de andere schouder bedroefd, om zich de rest van de dag in mijn navel te verstoppen. Grote jongens genieten te weinig.

Een meisje bestelt een pannenkoek met chocolade.

Ze vraagt aan de dochter of ze de pannenkoek wil inpakken.

"Hij is voor mijn vriendje. Die ligt nog te slapen. Dit is zijn favoriete pannenkoek."

Ik teken een hartje in de poedersuikerresten die voor me liggen en tik mijn zoon aan. Hij ziet het hartje, maar doet verder niets.

"Shit, mijn portemonnee ligt op het nachtkastje naast mijn vriend," zegt het meisje.

"Maakt niet uit hoor," zegt de dochter.

"Echt niet?"

"Kom later maar terug om te betalen. Of niet. Het is allemaal niet zo heel belangrijk. Ik hoop dat je vriendje van de pannenkoek geniet."

De vrouwen staan hier niet om rijk te worden, nee, ze staan hier om de stad te troosten. Pannenkoek voor pannenkoek. Ik kijk naar twee beslagengels met vleugels van poedersuiker.

"Jullie zijn echt briljant," zeg ik.

"Wat zeg je? Ik ben doof," zegt de oude vrouw.

"JULLIE ZIJN BRILJANT!"

"Nee, sorry, we verkopen geen croissants."

Mijn vrouw komt achter ons staan met twee loempia's op een kartonnen bordje. Ze liggen onder een dekentje van oranje en rood. Oranje is zoet, rood is pittig. Pittig voor mensen die niet weten wat pittig is.

Onze zoon tekent een hartje in de poedersuikerresten die voor hem liggen. Hij tikt mijn vrouw aan. Ze ziet het hartje en smelt volledig. Daar waar mijn vrouw net stond, ligt nu een plasje van de zoetste stroop. Ik kijk om me heen en ben gelukkig. De oude vrouw lacht naar me. Ook zij is gelukkig. Ze lacht een lach die een vogel van een vogelverschrikker zou kunnen laten houden. Ik kijk om me heen en ben gelukkig.

Ik wil dit moment in beslag nemen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden