Opinie

‘Tijd voor echte verandering: elke vereniging een eigen Chef Sportklimaat’

Bijna twee miljoen kinderen sporten wekelijks in verenigingsverband. Thijs Wagenaar ziet zowel de negatieve als de positieve invloed van trainers en doet een oproep tot structurele verbetering.

Naomi Visser tijdens het EK turnen in Basel, afgelopen april. Beeld ANP
Naomi Visser tijdens het EK turnen in Basel, afgelopen april.Beeld ANP

Afgelopen week werd het langverwachte rapport Ongelijke leggers gepresenteerd, over het sportklimaat van de gymsport in Nederland. Live was te ­volgen hoe Marjan Olfers en Anton van Wijk beschreven wat hun bevindingen waren. De boodschap was duidelijk: er is nog een wereld te winnen voordat we elke jonge turnster een veilig sportklimaat kunnen bieden, waarin het juist gaat over plezier in plaats van winnen.

We hoeven dit keer niet bang te zijn dat ook dit rapport in de doofpot terechtkomt. Uitgebreid werd er stilgestaan bij alle misstanden die zich hebben voorgedaan, voor 2014 en ook erna. Waar de gymsport vanaf de zomer 2020 vooral in het teken heeft gestaan van alles wat er is misgegaan, is het nu tijd om te kijken hoe we het anders kunnen gaan doen.

In het gepresenteerde rapport worden veel mooie aanbevelingen gedaan, waaronder het belang van nazorg voor gemaakte slachtoffers, verbetering van scholing en bijscholing van trainers, de noodzaak van meer grip vanuit de bond op trainers en clubs en het belang van een heldere visie op talentontwikkeling. Ik zou graag een paar praktische voorzetten doen voor de invulling hiervan.

Aanvoerder

In de praktijk zie ik als sportpsycholoog nog te vaak dat voor jonge kinderen wordt bepaald hoe ze hun sport moeten ervaren. Als je goed bent, wordt er verwacht dat je meer gaat trainen. Als je niet bij de besten hoort, is daar geen ruimte voor. Kinderen eindigen vaker als middel om een hoger doel van een ouder, trainer of club te bereiken dan dat de ontwikkeling van het kind centraal staat.

Sport is een middel dat de persoonlijke ontwikkeling kan versterken, maar ook enorm kan beperken. Van dat laatste hebben we inmiddels genoeg voorbeelden. Mij persoonlijk heeft het juist geholpen om uit mijn schulp te kruipen. Van een jongetje aan wie je geen kind had en dat zich het liefst geruisloos voortbewoog om anderen niet tot last te zijn, heeft het voetbal mij geholpen mijzelf te ontwikkelen tot een sociale, aanwezige aanvoerder van de jeugdteams waarin ik heb gespeeld. Ik kreeg de kans om op mijn tempo en op mijn manier mezelf te ontdekken en op te groeien.

Die waardevolle rol kan sport hebben – mits rekening wordt gehouden met de behoeften van het kind zelf. Dat betekent dat sporters zelf een stem krijgen en serieus worden genomen in hun eigen ontwikkelingsproces. Door als trainer, ouder of club oprecht geïnteresseerd te zijn in hoe de sporters zich voelen en wat zij zich als doel stellen, kun je een kind daarin faciliteren. Want juist ouders en trainers hebben veel invloed op de ervaringen van jonge sporters.

Een dergelijke aanpak vraagt ook veel van deze mensen. Zoals gezegd bestaat de gym­sport, omdat er mensen zijn die (bijna) vrij­willig soms wel dertig uur per week in de zaal staan, uit passie voor de sport. Als ouder rijd je soms wel vijf keer per week heen en weer om te zorgen dat je zoon of dochter kan excelleren in wat die het liefste doet.

Plezier centraal

Als trainer die twintig tot dertig uur per week met een kind in de zaal staat, blijft je taken­pakket niet meer beperkt tot het opleiden van goede turn(st)ers. Je bent ook een van de invloedrijkste mensen voor de persoonlijke ontwikkeling van die kinderen. Als we van ­trainers verwachten die rol goed in te vullen, dan is er ook ondersteuning nodig om ze daarbij te helpen. In het rapport wordt al gesproken over een goed (bij)scholingssysteem voor ­trainers, maar ik denk dat er meer nodig is.

De KNGU hecht belang aan een sportklimaat waarin het plezier van de sporters centraal staat. Om de ingezette verschuiving door te ­zetten, is het belangrijk dat binnen elke ver­eniging in Nederland een ‘chef sportklimaat’ wordt aangesteld. Een persoon die als taak heeft om met de vereniging een visie en een beleid te ontwikkelen op het gebied van talentontwikkeling en sportklimaat, passend bij de vereniging, en die de uitvoering waarborgt.

Zo kunnen het de waarden van de club worden die bepalen hoe er wordt gehandeld in de turnhal, en niet die van individuen. Wat is gebleken, is dat dit geen taken zijn die je er even bij kunt doen. Net zoals een technische commissie over het sporttechnische beleid moet gaan en een penningmeester over het geld, gaat de chef sportklimaat over de manier waarop er sport wordt bedreven bij de club.

Laat deze chef iemand zijn met zo weinig mogelijk verschillende ‘petten’ op. Dit kan een sportpedagoog zijn, maar ook een bestuurslid dat hiervoor een opleiding heeft gevolgd.

De schreeuw uit de praktijk is er geweest. Nu is het tijd om de daad bij het woord te voegen.

Thijs Wagenaar is sportpsycholoog bij Yaap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden