Opinie

'Theater en publiek zijn naar elkaar toegegroeid'

De Kunstraad is positief over intensievere samenwerking tussen Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg. Het is zelfs noodzaak, schrijft Arthur Sonnen.

Arthur Sonnen
Toneel met aandacht voor maatschappelijke ontwikkelingen vraagt om een betrokken publiek Beeld Catharina Glogowski
Toneel met aandacht voor maatschappelijke ontwikkelingen vraagt om een betrokken publiekBeeld Catharina Glogowski

Het samengaan van de Stadsschouwburg en Toneelgroep Amsterdam (TGA) is geen innovatieve managementopwelling of bezuinigingsactie maar het resultaat van een organische ontwikkeling waarin theater en publiek naar elkaar toegegroeid zijn.

Publiek beïnvloedde hier nauwelijks het toneel. Dat heeft grote voordelen gehad voor de vrije artistieke ontwikkeling van de uitvoerende kunsten, maar er is geen theatercultuur ontstaan, dat wil zeggen dat er over en weer geen vanzelfsprekende betrokkenheid is tussen zaal en toneel.

Kunst is in Nederland geen staatsbelang, zoals dat sinds Louis XIV in Frankrijk het geval is, en hoeft - zoals in Engeland - niets te onderwijzen via toneel, waar het publiek dan ook audience heet. De Nederlandse burgerij heeft zich nooit, zoals in Duitsland, geroepen gevoeld zich via de levende kunsten te profileren ten opzichte van de heersende macht.

Geen hechte band
In de steenrijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1648) waren burgers de baas en die waren bezig met geld verdienen, en niet met kunst als maatschappelijke ontwikkeling.

Het toneel werd na de Tweede Wereldoorlog georganiseerd als een nutsbedrijf, zoals cultuurfilosoof Jan Kassies het noemde. Toneel was een product dat net als water, gas en stroom voor iedereen beschikbaar moest zijn en dus ging alles op tournee: zo dicht mogelijk bij huis geleverd.

Daarmee werd echter voorkomen dat er een hechte band met een eigen publiek ontstond. En dus was er geen publiek dat zich vereenzelvigde met een gezelschap zoals in de landen om ons heen.

Geen eigen Shakespeare nodig
Die nadruk op transport en ambacht is heel Nederlands: wij zijn een handelsvolk. Wij investeren ook niet in iets wat je klaar kunt kopen. Uitgangspunt was: wij hebben geen Nederlandse Shakespeare nodig, want je kunt het succes, desnoods met de regie erbij, aanschaffen. Je hebt dan alleen een vertaling en superieure uitvoerders nodig. Het publiek werd - ook door de overheid - gezien als een amorfe groep mensen die, aangespoord door marketing en pr, de zalen vult.

Sinds 1970 is het theaterlandschap ingrijpend veranderd. Betrokken publiek wordt daarin steeds belangrijker. De democratiseringsrebellie van de jaren zeventig was niet alleen voortgekomen uit de wil van jonge spelers om mee te doen, maar vooral ook uit de behoefte in de maatschappelijke verschuivingen van de jaren zestig en zeventig een rol te spelen. Daarbij zou de positie van het publiek een belangrijke rol gaan spelen.

Ongewisse politieke situatie
Het publiek werd 'ontdekt' tijdens de grote discussiebijeenkomst van 1 november 1979 in de Stadsschouwburg. Toen stelde Harry Mulisch de cruciale vraag: "Maar meneer Bentz van den Bergh, voor wie speelt u eigenlijk?"

Het was voor het eerst dat het publiek als (mee)bepalende factor genoemd werd voor wat er op het toneel gebeurde. Allerlei theatermakers verplaatsten sindsdien hun podium naar oorden buiten de schouwburgen.

Het optreden in instellingen en bedrijven (Werkteater), op locatie (Hollandia) en openluchtfestivals (Boulevard, Oerol, Lowlands) zorgde voor nieuw publiek. En er werd serieus werk gemaakt van de ontwikkeling van origineel ­Nederlandse toneelstukken. Het waren hoogwaardige producties en de schouwburgbezoekers volgden al snel dit nieuwe fenomeen van theater dat zich actief met het publiek ging bemoeien.

Omwenteling
Toneel met een hoge artistieke kwaliteit dat aandacht heeft voor maatschappelijke ontwikkelingen, vraagt - zeker in een ongewisse politieke situatie als de onze - om een actief betrokken publiek. De bedoeling van toneel is de toeschouwer in beweging te krijgen. De kunstenaar daagt uit tot reflectie en draagt daardoor bij aan maatschappelijke ontwikkeling.

Dat staatssecretaris halbe Zijlstra (kabinet Rutte I) de botte bijl uit opportunisme kon hanteren, was alleen mogelijk omdat de kunsten - maatschappelijk gezien - niks voorstelden. Maar nu zelfs Mark Rutte aan de hand van de vroegere koningin meegenomen wordt naar de opera, zijn er tekenen van een ware omwenteling.

Het is niet de burgerij die de heersende macht wenst te interesseren voor hun situatie, maar de politieke klasse die theater gaat bezoeken om zich te laten uitdagen. Wat in 1768 plaatsvond te Hamburg, toen de burgers aan Gotthold Lessing vroegen om stukken te schrijven die over maatschappelijke problemen gingen, en waaruit het burgerlijk theater ontstond dat tot op de dag van vandaag toonaangevend is, vindt nu zijn equivalent in ons land. Het is daarom een positieve ontwikkeling dat toneel en publiek - Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg - voortaan samengaan.

Arthur Sonnen, oud-directeur van het­ ­Theaterfestival. Beeld Elsbeth Tijssen
Arthur Sonnen, oud-directeur van het­ ­Theaterfestival.Beeld Elsbeth Tijssen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden