Beeld Artur Krynicki

Tegen de jeugd kan ik nog minder op dan tegen de dood

PlusTheodor Holman

De man die ik niet kende hield me staande, deed z’n mondkapje af en vroeg: “Waar kom jij vandaan?”

“Van huis,” zei ik eerlijk.

“O ja, sorry… Ik vergis me. Ik ken je helemaal niet,” zei hij.

Langzaam drong tot hem door dat hij me eigenlijk wel kende. “O ja, verdomd, jij bent van de krant. Stom van mij. Ik zag je lopen en dacht: hè, Frans is toch dood? Terwijl ik op weg ben naar een café waar Frans en ik vroeger kwamen. Als je oud bent, ga je bij dode vrienden op bezoek en zie je ze op straat lopen met een mondkapje op.”

“Je lijkt me niet zo oud,” zei ik, “misschien wel jonger dan ik.”

Hij haalde zijn schouders op.

“Aan de mate waarin je eenzaam bent, kan je goed aflezen hoe oud je bent. Ik ben oud.”

“Dat is naar om te horen.”

“Ja. En ik ben ook niet meer goed bij mijn hoofd.”

“Lijkt me mee te vallen.”

Hij schudde zijn hoofd.

“Soms,” zei hij, “zie je dat oude vrienden, of erger: vriendinnen, je niet herkennen. Maar wees eerlijk, je herkent je eigen lichaam soms ook niet. Heb jij dat niet? Dat je denkt: wie is die domme lul die overal aan het verslappen is.”

“Ja…”

Mijn dunne bevestiging deed hem zichtbaar goed. Hij deed zijn mondkapje weer op en zei: “Wij ouderen zijn de enigen die nadenken over de dood en de dood denkt na over ons. En maakt ons belachelijk tegenover de jeugd.”

“Hij doet maar. Ik kan toch niet tegen hem op.”

“De jeugd heeft het voor het zeggen. Dat merk je nu met die corona helemaal.”

Z’n stemgeluid stierf weg in z’n kapje.

“Tegen de jeugd kan ik nog minder op dan tegen de dood,” zei ik.”

Hij vond opeens mijn antwoorden gemakzuchtig.

“Tegen je vrouw kan je zeker ook niet op? Die doet ook maar.”

“Ik kan tegen niemand meer op.”

“Nou, dan hebben we veel aan je.”

“Niemand heeft iets aan mij,” besloot ik het gesprek. Ik maakte aanstalten om door te lopen.

Hij keek even naar de grijze lucht.

“Ja, ik moet ook verder. Waarheen? Naar die dode vrienden van me. Waar zitten die? Hierboven.”

Hij tikte tegen zijn hoofd. “In mijn kop zit dat café. Mijn kop is de hemel in het klein. Alles daarbuiten is hel.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden