Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Scheppen vind ik kinderachtig, maar ik hoef niet te scheppen, hij schept

PlusTheodor Holman

En opeens ben ik op het strand met mijn kleinkinderen en schep ik een kuil waar het zeewater in kan lopen. Mijn kleinkinderen spelen trouwens met een bal, een end verderop.

“Waarom doe je dat?” vraagt mijn dochter.

Ik weet niet wat ze bedoelt.

“Waarom maak je een kuil met de schep van Koning en kijk je hoe het zeewater die kuil inloopt?”

“Omdat ik dat leuk vind.”

Het is waar, maar ook weer niet. Ik weet niet precies waarom ik het doe. Ik schaam me opeens.

Ik ga op een handdoek liggen, sluit mijn ogen en laat mijn gedachten de vrije loop.

“Leg dat stripboek weg en ga nou iets leuks doen,” zegt mijn vader tegen mij.

“Nee,” zeg ik.

Kuifje moet Kapitein Haddock redden en ik wil weten hoe.

Vader houdt m’n bal op.

“Zullen we samen ballen?”

Hij heeft een groot litteken over zijn buik. Volgens mijn broer zijn het Japanse letters en luidt de vertaling: Domme aap. Kan hij geen hemd dragen?

“Nee, ik wil dit uitlezen, pap.”

Hij verveelt zich en pakt mijn schep en graaft een kuil.

Als hij ziet dat ik mijn Kuifje uit heb, zegt hij: “Nederlanders zijn goed in het bouwen van dijken om het water tegen te houden. Zullen we een dijk maken? Van zand een schelpen?”

“Laat die jongen!” zegt mijn moeder.

Ik leg mijn Kuifje weg en we gaan naar de zee.

Scheppen vind ik kinderachtig. Ik ben tien. Maar ik hoef niet te scheppen. Hij schept. Ik doe niks. Ik kijk naar hem. Naar zijn billen in het slobberige zwembroekje.

“Ik ga weer lezen,” zeg ik.

“Je snurkt hard!” hoor ik opeens.

Het is mijn dochter.

“Ik was in slaap gevallen.”

De kleinkinderen hebben dorst, krijgen lauwe thee (ik mag niet trakteren op cola) en gaan weer naar de rand van de zee. Mijn dochter leest iets op haar iPad.

“Ik was aan het dromen,” zeg ik.

“O, fijne droom of nare droom?”

“Dat weet ik niet.”

“Was je angstig?”

“Nee.”

“Droevig?”

“Ook niet.”

“Waar droomde je dan over.”

“Dat wist ik daarnet nog, maar het is weg. Ik droomde geloof ik over mijn vader en mijn moeder.”

De zon staat al wat lager, maar is nog steeds warm in mijn gezicht.

Opeens overvalt me treurigheid.

Mijn vader ging nooit met ons naar het strand.

“Ik ga nog even naar de kinderen,” zeg ik.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden