Natascha van Weezel Beeld Agata Nowicka

Schaamteloos maakte papa een selfie met Conchita Wurst

Plus Natascha van Weezel

Elk jaar rond half mei begint bij ons thuis de Eurovisiesongfestivalgekte. De blaadjes papier komen tevoorschijn om scores te kunnen bijhouden, de potloden worden geslepen en de Skyradioapp gedownload, ­omdat die zender een speciaal ‘songfestival pop-­upkanaal’ faciliteert.

Uit mijn oordopjes klinkt al dagen het vertrouwde ­geluid van oude krakers als Poupée de cire, poupée de son (Luxemburg, 1965), Eres tú (Spanje, 1973) en Love ­Shine a Light (Verenigd Koninkrijk, 1997). Maar hoezeer ik ook mijn best doe om vrolijk mee te zingen met de teksten: dit jaar is alles anders.

Mijn vrienden vinden het maar een rare hobby. Ze ­lachen me steevast uit wanneer ik enthousiast informeer naar hoe zij onze kansen inschatten en vragen steeds weer of ik soms ben getransformeerd tot een ­homoseksuele man. Ze begrijpen überhaupt niet dat je een zwak kunt hebben voor het ­Europese ­liedjesfestijn.

De laatste jaren was er maar één persoon met wie ik mijn hartstochtelijke liefde voor het songfestival kon delen. Dat was mijn vader. Sterker nog: door hém ben ik naar het festival gaan kijken. Hij werd op zijn beurt aangestoken door zijn moeder.

Toen mijn oma nog leefde, telefoneerden we tijdens de live-uitzending urenlang om de scores te vergelijken die we de verschillende landen hadden toebedeeld. Ze vertelde altijd trots dat zij en mijn opa al in de jaren vijftig een televisie hadden – als enigen in de straat – en dat ze sinds de allereerste editie fan was.

Mijn oma stierf in het jaar dat Noorwegen won met het nummer Fairytale en mijn vader en ik bleven achter met ons gezamenlijke guilty pleasure. In 2015 reisden we zelfs af naar Wenen om het songfestival te kunnen ­bijwonen. Ik zie nog voor me hoe papa bij een persevenement schaamteloos naar Conchita Wurst – ‘de vrouw met de baard’ – liep om te vragen of hij een selfie met haar mocht maken.

Twee weken voor zijn dood vroeg ik aan mijn vader of hij nog een wens had. “Samen met jou naar het songfestival in Tel Aviv om Nederland te zien winnen.” Hij klonk zwak maar vastberaden. Het was ons niet ­gegund.

Nu is mijn vaders stoel leeg. Er ligt geen blaadje aan zijn kant van de tafel en ik weet niet wat hij van de ­Zwitserse, Moldavische of Azerbeidzjaanse inzending vindt. Dinsdag beginnen de halve finales. Eigenlijk ­wilde ik een jaartje overslaan, maar toch ga ik kijken. Sommige tradities zijn gewoon te bijzonder om zomaar op te geven. Ook als verder niemand in mijn omgeving dat begrijpt.

Natascha van Weezel (32) is journalist. Elke dinsdag schrijft ze een column voor Het Parool. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden