Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Rosa ging naar een kibboets en ik was weer alleen met mijn gitaar

PlusExclusief

Theodor Holman

Rosa en ik hebben in 1970 nog een paar weken opgetreden als duo. We zongen Joodse liedjes (Rosa) en liederen van Bob Dylan (ik) in onder andere het Keldertje in de Vondelstraat en nog ergens in de buurt bij de Kleine Komedie.

We speelden beiden gitaar.

Die paar weken die we samen optraden hielden Rosa en ik van elkaar, speelden wij. Ik had één wens: ik wilde met haar naar bed. Zij had ook één wens: zij wilde met Joachim naar bed. Haar wens ging in vervulling.

Op een dag had ze mijn moeder gebeld om te vertellen dat ze naar een kibboets ging. Dat was het. Ik was weer alleen met mijn gitaar.

Die paar weken had ik ontdekt dat ik niet geschikt was om op het toneel te staan. Tegen de zenuwen ging ik drinken en dan meende ik dat ik leuker en leuker werd.

“Je mag wel drinken, maar dan moet je alleen spelen en zingen. Niet praten,” zei Rosa. Daar hield ik mij niet aan. Want behalve dat ik dacht dat ik Bob Dylan was, meende ik ook de broer van Lenny Bruce te zijn. En omdat niemand lachte, gooide ik er ook nog een joint achteraan, waardoor ik nog leuker werd.

Rosa was vorige week een paar dagen in Amsterdam bij haar broer, sloeg Het Parool open, zag mijn ingedroogde kop en zocht contact.

En daar zaten we, in verband met corona, op een bankje op het Amstelveld. Het was koud, het regende een beetje, maar we waren beiden goed ingepakt. Het is raar als je elkaar vijftig jaar niet hebt gezien. Ik vertelde dat iedereen die wij gezamenlijk kenden, al dood was.

“Ik ben opgevoed om overlevende te zijn,” zei ze.

Ik had koffie voor ons gehaald. En nog voor die op was, zongen we ons oude repertoire. Mensen bleven staan en luisterden.

“Voor het eerst succes,” zei Rosa.

We gingen weer praten.

Ze had een rotleven gehad, maar was nu gelukkig.

“Nu al,” zei ze lachend.

Ze liet me haar kunstbeen zien.

“Als je een kunstbeen nodig hebt, moet je naar Israël komen. Dan kan je binnen een week weer voetballen.”

Ze vertelde over een zoon die in het leger was omgekomen.

“Hij is altijd bij me. Maar waar weet ik niet.”

Ze schraapte haar keel en zei: “Zullen we nog eens Blowin’ in the wind zingen?”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden