null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Rolkoffertjes op de camping: de tijd van gêne was duidelijk voorbij

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Een paar dagen Texel.

Op een camping bij de vuurtoren. Veld I, plek 91.

De eerste ochtend, wakker worden op een nieuw luchtbed: het geluid van rolkoffertjes.

Ik waande me eerst nog even in de stad.

Toen: rolkoffertjes op een camping?

Ik wilde kijken, maar voor alle ritsen van de tent open waren geritst was het geluid al achter de afscheidingshagen verdwenen.

Later op de dag, met de rug naar de verharde weg: weer het geluid van een rolkoffertje.

Ik zat net in een spannende passage van De goede arts, de doorbraakroman van Damon Galgut, dus ik keek niet om.

Een paar minuten later: weer dat geluid.

Ik legde het boek op het gras – Frank had net een bezoek gebracht aan zijn vader die hem nog steeds badinerend behandelde – en ik draaide me om.

Er kwam een man aanlopen die een lichtblauw koffertje achter zich aan sleepte. Twee wieltjes, een lang handvat.

Maar het was geen rolkoffertje, zoveel was wel duidelijk. Het had geen ritsen, was niet met stof bekleed. Het was een raar vierkantig, plastic… nou ja, koffertje.

Toen zag ik van de tegenovergestelde richting nog een koffertje aankomen.

Roze.

Ook met een man eraan vast.

De twee mannen groetten elkaar. In het Duits uiteraard, want deze camping leek bezet door een kolonie oudere Duitsers.

De roze en de lichtblauwe koffer vervolgden hun weg, nadat de eigenaren nog wat informatie hadden uitgewisseld over de vuurtoren en zeehondenexcursies.

Even later kwam de man van het lichtblauwe koffertje terug. Hij had het koffertje onder een arm geklemd en liep lekker te fluiten.

In de tussentijd waren er van links nog twee mannen met rolkoffertjes die geen rolkoffertjes waren langsgekomen (een donkerblauwe en groenrood gestreepte).

Toen werd het me duidelijk wat er in de koffertjes zat.

Het waren opslagtanks van chemische toiletten. In vrolijke kleuren.

Losgekoppeld van de reusachtige Duitse campers die verderop aan de rand van de camping hun standplaats hadden.

De tijd van gêne was duidelijk voorbij. (Ik zie mezelf nog zo argeloos mogelijk met een emmer nachtelijke kleuterplas naar de wasbakken lopen.) De mannen liepen met hun klotsende lading rond alsof ze doodgemoedereerd hun hondje uitlieten.

Wat ook duidelijk was: het wegbrengen van de lichamelijke afscheidingen was een mannentaak. En bij het sanitaire blok was kennelijk een stortplaats. Ik dacht bij de hondendouche.

Het was een nieuw fenomeen voor me.

Het was weer even wennen, een camping. Het luxe was- en douchegebouw dat je bij binnenkomst verwelkomde met: “Welkom. Houd anderhalve meter afstand.” Een oud bandje, of een vooruitziende blik, dat was een raadsel. Na een paar keer kon ik precies op tijd met de stem meepraten. Iemand keek me aan alsof ik gestoord was.

Ik had ook het idee dat ze op de een of andere manier in de gaten hielden hoeveel wc-papier je gebruikte.

En in de nachten werden we uit de slaap gehouden door een wonderlijk modernistisch concert. We bevonden ons in het episch centrum van vier of vijf hoestende en rochelende mannen. Het leek alsof ze keurig om de beurt een salvo de nacht in blaften. Je moest er bijna wel naar luisteren.

Maar in de ochtend was daar het inmiddels vertrouwde geluid van de rolkoffertjes.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden