null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Raar en langzaam lopen we naar de overkant

PlusFemke van der Laan

Ik loop over het pleintje. Zo normaal mogelijk. Sinds de oudste tegen me zei dat ik raar loop in de sneeuw, let ik op bij elke stap, rol ik mijn voet af, zet ik niet te kleine stapjes, niet te grote, probeer ik te doen alsof ik gewoon op de tegels sta, op de klinkers, op de stoepranden, alsof de sneeuw gesmolten is en weg.

“Je loopt raar in de sneeuw,” zei ze.

Ik had naar haar gekeken, opzij, om te kunnen zeggen: “Jij ook”, maar ik zag niets raars. Daarna keek ik om me heen, om te zien of er andere mensen waren die raar liepen, zodat ik kon zeggen: “Kijk, die daar, die loopt ook raar, en die, heel veel mensen lopen raar in de sneeuw” – maar ik zag niemand, althans niemand die raar liep.

“Hoe loop ik dan?”

“Weet ik niet. Gewoon, anders.”

Ik wilde nog iets terugzeggen, iets over gewoon en anders, maar ik deed het niet, ik lette op mijn stappen.

“Ja, nou loop je weer normaal.”

Zo deed ik het nu ook. Normaal lopen. Zo normaal mogelijk. Over het pleintje.

Aan het einde, vlak voor ik het straatje moet oversteken, haal ik een man in. Ik zie opeens wat de oudste bedoelde, wat raar lopen in de sneeuw is. Hij loopt raar, ­schuifelend en trillend, maar nu is ze er niet.

Op naar de ijssalon

Aan de overkant van de straat kijk ik om. De man steekt niet over. Hij staat bij de stoeprand. Hoewel hij stilstaat, is hij nog steeds aan het schuifelen en trillen. Ik ­aarzel even, loop dan terug en ga naast hem staan. De man kijkt van zijn voeten naar de straat en weer terug, dan kijkt hij even naar mij.

“Zal ik u helpen?” Ik hou mijn arm een beetje voor hem op, hij steekt de zijne erdoor.

“Langzaam, hoor, het is glad daar,” zegt de man. Ook zijn woorden schuifelen en trillen. Samen lopen we naar de overkant van de straat. Raar en langzaam.

Ik vraag of hij nog ver moet, waar hij naar op weg is en hij zegt dat hij naar de ijssalon gaat, iets verderop, op de hoek en ik vraag of hij koffie gaat halen, maar hij gaat echt voor een ijsje.

We staan even stil, midden op straat.

“Vind je dat raar?”

Ik denk even na, of ik het raar vind, ijs, in de sneeuw en haal dan mijn schouders op. “Lekker, wel.”

We lopen verder. Op de andere stoep laat ik de man los.

“Ik eet vanavond boerenkool.”

De man knikt, alsof hij dat wel verwachtte, van mij, boerenkool, in de sneeuw.

“Ook lekker, wel.”

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden