Plus Max Pam en Martin Brill

Pesten is een belangrijk element in discriminatie door supporters

Eén kwestie, twee visies: de Amsterdamse blik en een mondiale kijk op de actualiteit. Deze week: discriminatie in de sport.

Max Pam en Paul Brill Beeld Artur Krynicki

Pam: Wie niet springt

Aan de hand van mijn vader heb ik vele voetbalwedstrijden bezocht in het Olympisch Stadion. Zo heb ik talloze malen Erwin Sparendam gezien, een van de eerste Surinaamse voetballers in het betaalde voetbal. Hij organiseerde op elegante wijze de verdediging van Blauw-Wit. ‘De club waar pit in zit, de club van het stadion, kwam, zag en overwon,’ aldus het clublied.

Ik ken de persoonlijke geschiedenis niet van Sparendam (1934-2014) en misschien is deze in Paramaribo geboren voetballer ernstig gediscrimineerd in Nederland, maar in het Olympisch Stadion was daar niets van te merken. Nooit heb ik oerwoudgeluiden of andere beledigingen aan zijn adres gehoord, ook niet toen hij een penalty praktisch tegen de cornervlag schoot.

Die waren wel te horen toen ik later met mijn zoon naar voetbalwedstrijden ging. Maar met de opkomst van de hooligan was de lol er snel vanaf en bekeken wij voetbal liever via de televisie. In de Amsterdam Arena heb ik het later nog eens geprobeerd, maar ik werd niet vrolijk toen ik op de F-Side hoorde zingen: “Wie niet springt die is geen Jood.” 

Het schijnt dat wij die tekst als pro-Joods moeten opvatten, getuige ook de Israëlische vlaggen waarmee werd gezwaaid, maar ik dacht er het mijne van. Eerlijk gezegd verbaasde het mij niet toen over de balustrade aan een touw ‘een Kenneth Vermeerpop’ werd opge­hangen. Vermeer, die ooit zelf het doel van Ajax verdedigde, kreeg verschillende verwensingen naar zijn hoofd geslingerd, waarvan ‘je moeder is een hoer’ nog de minste was.

Een belangrijk element in discriminatie door supporters is het pesten. Het gaat erom de tegenstander uit zijn concentratie te halen. Pesten begint meestal met het inzoomen op uiterlijk­heden. Wie rood haar heeft, kan daarvan meepraten en in dat opzicht is een donkere huid ook een dankbaar object. Homoseksualiteit kun je als sporter ook maar beter geheim houden, want hoe geëmancipeerd een samenleving ook is, er komt een moment dat het tegen je wordt ge­bruikt. Bijvoorbeeld wanneer een scheidsrechter – ook maar een mens – een verkeerde beslissing neemt.

Vermoedelijk gaat het hierbij niet eens om onversneden rassenhaat. Donkere spelers van de tegenstander kunnen worden uitgescholden dat het door merg en been gaat. Dezelfde supporters die dat doen, staan te juichen als een donkere speler van hun eigen partij een doelpunt maakt. Of van het veld lopen bij racistische uitingen een probaat middel is, zal nog moeten blijken. Te vaak hoor je nog ‘dat het om een kleine groep gaat, die het verpest voor de rest’.

Als die groep inderdaad zo klein is, was het ­probleem allang opgelost.

Max Pam

Brill: LA Dodgers

Bij sportcommentatoren zit de schrik er goed in na de uitglijder van Marco van Basten. Oud-voetballer Jan van Halst, tegenwoordig analyticus voor Ziggo Sport, wordt voorzichtiger met zijn woordkeus. Zo heeft hij zich voorgenomen om een abominabele prestatie op het voetbalveld niet meer te betitelen als ‘drama’. Lokt te veel negatieve reacties uit. Ook Ronald de Boer, Van Bastens collega bij Fox, past op zijn woorden. “Je hoofd ligt sneller op het hakblok.”

Maar is dat wel echt het geval? Kon er vroeger van alles worden gezegd zonder dat deze of gene er aanstoot aan nam?

We gaan terug naar 1987. Aan het begin van het Amerikaanse honkbalseizoen werd Al Campanis, manager van Los Angeles Dodgers, door het tv-programma Nightline gevraagd herinneringen op te halen aan Jackie Robinson, die in 1947 de eerste zwarte speler was in de hoogste divisie. Campanis kwam naar de studio in de veronderstelling dat er een prettig gesprek over het verleden zou worden gevoerd, maar het liep anders.

Interviewer Ted Koppel stelde hem scherpe vragen over de geringe doorstroming van zwarte spelers naar leidinggevende posities. Dat viel nogal mee, wierp Campanis aarzelend tegen, waarna hij opperde dat zwarte spelers misschien elders betere banen hadden gevonden. “Onzin,” beet Koppel hem toe, “staat de honkbalwereld niet gewoon stijf van de vooroordelen?”

Campanis kwam steeds slechter uit zijn woorden. Misschien hadden zwarte spelers nog ‘on­voldoende bagage’ voor de positie van manager. Hij voelde kennelijk zelf aan dat dit geen adequaat antwoord was en zocht een uitweg met een warrig verhaal over verschillen in aanleg, waardoor bijvoorbeeld zwarten betere honkballers dan zwemmers waren. Het was een uitweg naar een nog diepere valkuil.

Zijn optreden wekte grote verontwaardiging. Vooraanstaande zwarte politici, onder wie de burgemeester van Los Angeles, eisten zijn vertrek. Campanis bood excuses aan, evenals de eigenaar van de Dodgers. Tevergeefs, hij moest weg.

Wat de affaire extra wrang maakte, was dat Campanis zich als jonge speler had onderscheiden door zijn kamer te delen met nieuwkomer Robinson en de vijandigheid van fans en andere spelers te trotseren. De twee waren goede vrienden geworden. Campanis was eigenlijk een pionier op het gebied van de rassenintegratie. Maar dat mocht niet baten.

Zo bezien komt Van Basten er genadig van af met een eenmalig loonoffer aan het Niod. Maar misschien speelt ook een rol dat het beledigen van een Duitser nog altijd minder zwaar weegt. Zoals de tekst ‘Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas’ blijkbaar minder hoog wordt opgenomen dan andere uitingen van racisme in het ­stadion.

Paul Brill

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden