Opinie

Opinie: ‘Zie toch af van provocatie-optochten’

Fanatici als de Joodse ultranationalisten die onlangs met Israëlische vlaggen demonstreerden in het bezette Oost-Jeruzalem, stellen overheden voor een lastig dilemma, vindt Hanna Luden. Mogen overheden de ene mars toestaan en de andere verbieden?

Voor de vlaggenmars op 15 juni  had het stadsbestuur van Jeruzalem uit voorzorg zo'n 2000 agenten ingezet. Beeld Abir Sultan/EPA
Voor de vlaggenmars op 15 juni had het stadsbestuur van Jeruzalem uit voorzorg zo'n 2000 agenten ingezet.Beeld Abir Sultan/EPA

In Israël was de opluchting groot: de vlaggenmars verliep relatief rustig. Als het aan mij lag, was er helemaal geen vlaggenmars gehouden. Niet vandaag, niet afgelopen maand, nooit.

Dit soort provocatie-optochten kennen we van meerdere conflictgebieden, waarvan de bekendste niet Jeruzalem, maar de Noord-Ierse stad Belfast is. Daar marcheren protestanten in de katholieke wijk. Elders marcheren is geen optie, want ‘wij hebben het recht om ons overal te begeven en bovendien: dit straatje is van ons’.

Rellen zijn een vast ingrediënt van deze rituelen, en de politie moet altijd in groten getale aanwezig zijn om de orde te handhaven en tegenstanders uit elkaar te houden. En toch kiezen mensen ervoor om (juist?) te marcheren, omdat zij ‘het recht – zoals iedere burger – hebben om te gaan en staan waar men wil’.

Volgens mijn moeder ligt hier het verschil tussen formeel recht hebben en wijs handelen.

Recht van demonstreren

Het zijn vaker de fanatici die de grenzen van de democratische samenleving op de proef stellen. Bijvoorbeeld met deze vlaggenmars. De overheid kan dergelijke verzoeken niet zomaar verbieden en het recht van demonstreren schenden. Als men niet met Israëlische vlaggen in Jeruzalem mag marcheren, mag het dan wel met Palestijnse vlaggen? Of met regenboogvlaggen (een gruwel voor zowel Joodse als Arabische ultra-orthodoxen)?

Dit is in het kort het dilemma van de Israëlische overheid – en natuurlijk lopen de emoties hoog op: ‘Na 2000 jaar hebben we eindelijk een eigen Joodse staat, en worden we weggehouden bij onze heilige plaatsen’ (de route werd gewijzigd). Of, vorige maand: ‘Eindelijk mogen we uitkomen voor onze homoseksualiteit, en dan wordt het ons verboden om in de straten van Jeruzalem een Gay Parade te houden’.

Onderscheid maken

Waarom vechten wij voor het houden van de Gay Parade maar tegen de vlaggenmars? En is dit principieel anders dan een mars tegen kernwapens? Belangrijker: mag de overheid dit onderscheid maken? Mag de overheid de ene mars toestaan en de andere verbieden?

En zo worden juridische kaders en wetten soms de grootste belemmering voor het optreden van een ‘verstandige’ overheid in situaties die voorspelbaar uit de hand lopen, en heeft de politie de schone taak deze maatschappelijke tegenstellingen te beheersen.

De democratische samenleving moet hard werken om polarisatie, fragmentatie en extremisme te beteugelen in de hoop dat extremisten daardoor worden gemarginaliseerd en hun aantrekkingskracht verliezen.

Hanna Luden, directeur Centrum Informatie en Documentatie Israël

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden