Opinie

Opinie: ‘Overlastgevende straat- en corpsjongens hebben meer gemeen dan je denkt’

Tussen wangedrag van jongeren op straat of binnen het corps zit weinig verschil, schrijft criminoloog Jan Dirk de Jong, maar de reacties erop zijn keer op keer erg klassegebonden.

Jan Dirk de Jong
Hinderlijk hangen op straat of olijke jeugdstreken? Bij de ene groep lijkt wangedrag makkelijker vergoelijkt te worden dan bij de andere. Beeld Dingena Mol
Hinderlijk hangen op straat of olijke jeugdstreken? Bij de ene groep lijkt wangedrag makkelijker vergoelijkt te worden dan bij de andere.Beeld Dingena Mol

Elk jaar bericht Het Parool over excessen bij het Amsterdamsch Studenten Corps. En ieder jaar zie ik met lede ogen aan hoe sociaal psychologen van stal worden gehaald voor duiding. Die verklaren de subcultuur van ernstige misdragingen, stilzwijgen en vergoelijking vanuit de achterban als algemeen menselijk gedrag. Iets dat voortkomt uit normale groepsdynamische processen in bijzondere omstandigheden. En dat klopt. Waarom zie ik dit dan met lede ogen aan?

Als criminoloog gespecialiseerd in jeugd is het mijn taak om ernstig wangedrag van hedendaagse straatjongens te duiden, zoals wanneer zij vrouwen lastigvallen, lhbtq’s intimideren, kransen omverschoppen bij Dodenherdenking, bakfietsen in de fik steken of met BB-guns op mensen schieten als ‘challenge’.

Snitchcultuur

Ik gebruik ook sociaalpsychologische verklaringen voor hun excessen, zwijgen en onderlinge rugdekking. Desalniettemin wordt bij incidenten van ernstige overlast door straatjongens in de verslaglegging zeker niet gesproken over algemeen menselijk gedrag. Ernstige overlast en ook de ‘snitchcultuur’ worden eerder toegeschreven aan een aparte straatcultuur. En als het jongens met Marokkaanse ouders betreft, worden zwijgen, ontkenning of vergoelijking dikwijls verklaard vanuit een exotische schaamtecultuur.

Grensoverschrijdend gedrag en ‘zwijgcultuur’ binnen het corps blijken elk jaar daarentegen algemeen menselijk van aard te zijn. Nogmaals, de wetenschappers hebben gelijk het zo te verklaren. Alleen zo anders geduid in dezelfde krant – gewoon normaal menselijk bij de één, typisch straat- en/of etnisch gerelateerd bij de ander – lijken conclusies erg klassegebonden.

Erbij horen

Na mijn proefschrift Kapot Moeilijk (2007) over straatjongens in Amsterdam Nieuw-West, deed ik onderzoek bij een aantal corpora. Ik wilde een vergelijking maken tussen grensoverschrijdend groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ straatjongens en corpsballen in termen van overlast, provocatie en agressie (niet criminaliteit).

In mijn artikel Mores leren of moeilijk zijn (Tijdschrift voor Criminologie, 2012) beschrijven (oud-)leden van het corps groepsnormen ten aanzien van ‘zieken’, hun variant op overlastgevend, provocerend of agressief gedrag. Het lijkt sterk op wat straatjongens vertellen over gek doen, uitdagen en chaos veroorzaken, ‘ruïna’ in straattaal. De conclusie was dat grensoverschrijdend groepsgedrag van corpsballen en straatjongens sterk verschilt in wat ze precies doen en waar, maar dat er ook overeenkomsten zijn. Vooral de motivatie om zich te conformeren aan deviante groepsnormen is bij corpsballen en ‘Marokkaanse’ straatjongens grotendeels hetzelfde. Ook de corpsballen willen erbij horen, zich veilig voelen en plezier maken.

Waarom wordt dat jaarlijks toch zo verschillend geduid? Dat heeft ongetwijfeld te maken met een ander groot verschil dat naar boven kwam tussen de twee groepen: de maatschappelijke reactie die volgt en de verwerking daarvan. De studenten die zich vooral binnen de context van hun studentenvereniging misdragen, weten doorgaans aan stigmatisering te ontkomen. Wanneer maatschappelijke afkeuring ontstaat door schade of overlast voor ‘de burgerij’ of (dodelijke) excessen rondom de ontgroening, lijken zij gezien hun levensfase nog altijd te kunnen rekenen op enig begrip en tolerantie.

Dit geldt ook in het huidige tijdsgewricht, waarin uitspraken over ‘hoeren’, ‘sperma-emmers’ en ‘lullen in gebroken vrouwennekken’ en acts met mannenhoofden die beuken op ontblote vrouwenbillen tot grote verontwaardiging leiden binnen en buiten het corps. Oud-leden met communicatie-expertise staan klaar om het gedrag af te keuren. Tegelijkertijd framen ze het strategisch als gedrag van één ‘Johan Derksen’ die het voor de rest verpest.

Jeugd van tegenwoordig

Andere oud-leden praten erover als iets van de jeugd van tegenwoordig (wij deden dat vroeger niet). Ondertussen bagatelliseren ze het slim met uitspraken over een ‘misplaatste grap’, het zijn van een liberale club en verkeerd gebruik van intellectuele vrijheid die het corps kenmerkt. Als toetje zegt de Vereniging van Reünisten steun toe voor getroffen bestuurders om zo de opgelegde financiële sancties vanuit de UvA en de HvA teniet te doen.

Grensoverschrijdend gedrag en misstanden die openbaar worden, leiden jaarlijks tot zo’n dansje van mea culpa’s, boetedoening en gestes richting de samenleving met een interne cursus of cultuurdiscussie. Daarna volgt de loutering zodat deze overtreders zich weer met opgeheven hoofd kunnen vertonen op weg naar (hoge) maatschappelijke posities. De vraag is of dit ook nu de uitkomst zal zijn, maar voor corpsleden is het altijd een beproefde strategie geweest.

Denk bijvoorbeeld aan de beruchte ontgroening in 1962, toen feuten een zwijgplicht kregen opgelegd over het ‘Dachau-incident’. Een toenmalige Johan Derksen riep ‘en nu gaan we Dachautje spelen’ tegen 200 kaalgeschoren en bevuilde eerstejaarsstudenten. Toen dit toch uitlekte ging het corps na uitvoerig beraad diep door het stof voor deze ‘misplaatste, maar geenszins antisemitische’ grap. Berouw werd getoond voor ‘het afdwalen van een subcultuur’, met latere absolutie in een aflevering van Andere Tijden.

Geen vuile was

Hoe effectief het Wibautstraatje is schoongeveegd in de beleving van oud-leden blijkt wel uit reacties op de huidige ophef. Een van hen suggereert zelfs dat er in zijn tijd ‘nul komma nul sprake was van gedoe’. Wat we met zekerheid kunnen stellen is dat in zijn tijd het ‘gedoe’ minder vaak naar buiten kwam, vooral omdat er geen sociale media waren. En als het onverhoopt wel gebeurde, zette men sociaal en economisch kapitaal in om met de juiste communicatiestrategie effectief het boetekleed aan te trekken.

Deze ongelijke machtspositie neemt niet weg dat corpsballen inderdaad net ‘gewone’ mensen zijn. Jongvolwassen mannen met een onvolgroeid brein die zich verliezen in groepsdynamiek en zich onder groepsdruk ernstig misdragen binnen een machocultuur waarin je scoort met agressieve, misogyne, xeno- en homofobe ‘grappen’. En dat geldt dus ook voor straatjongens wanneer zij zich laten gelden met ernstig overlastgevend gedrag. Hun groepsproces vindt plaats in andere maatschappelijke verhoudingen met als gevolg andere reacties vanuit de samenleving, maar stigmatiserende verklaringen zijn onjuist.

Wanneer straatjongens zich laatdunkend uitlaten over vrouwen, discriminerend afgeven op mensen uit de Joodse of lhbtq+-gemeenschap of intimideren en dreigen, komt dat groepsdynamisch gezien grotendeels hetzelfde tot stand. En datzelfde geldt voor de zwijgcultuur van henzelf en hun omringende gemeenschap. Ook de straatjongens en hun ouders hangen de vuile was omtrent hun ‘gedoe’ niet graag buiten. Wat dat betreft hadden zij zo lid kunnen zijn van het Amsterdamsch Studenten Corps.

Dr. Jan Dirk de Jong is lector Aanpak Jeugdcriminaliteit aan de Hogeschool Leiden. Beeld Stacii Samidin
Dr. Jan Dirk de Jong is lector Aanpak Jeugdcriminaliteit aan de Hogeschool Leiden.Beeld Stacii Samidin

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden