Opinie

Opinie: ‘Niet alle namen in het Concertgebouw zijn wit’

De cartouches in het Concertgebouw zouden moeten worden aangevuld, maar het is een misvatting dat er nu alleen witte componisten zijn vereeuwigd, stelt Gideon Querido van Frank.

Zo zou het anders kunnen in het Concertgebouw. Beeld Nosh Neneh
Zo zou het anders kunnen in het Concertgebouw.Beeld Nosh Neneh

Erik Voermans bepleit in Het Parool van 12 juni de cartouches in de zalen van het Concertgebouw, waarop ‘alleen namen van witte mannen’ staan, aan te vullen met namen van componisten van kleur en van vrouwelijke componisten.

Laat duidelijk zijn: natuurlijk heeft Voermans gelijk dat het de hoogste tijd is om de ‘vergetenen der muziekgeschiedenis’, zij die wegens etniciteit en/of gender zijn uitgesloten van het dominante narratief, onderdeel te maken van de canon. En namen letterlijk aanvullen is misschien een prima manier hiertoe, al is het alleen maar ter bewustwording.

Wél problematisch is Voermans’ bewering dat er alleen namen van witte mannen worden vermeld. Dat is discutabel: Hiller, Mendelssohn, Mahler en Rubinstein hadden weliswaar een wat we tegenwoordig ‘witte huid’ noemen, etnisch geprivilegieerd waren zij niet bepaald.

Mendelssohn en Mahler waren Joods (hoewel Mendelssohn gedoopt was) en gingen als burgers van respectievelijk Duitsland en de Habsburgse dubbelmonarchie gebukt onder antisemitisme. Hiller was Joods (zijn vader had de oorspronkelijke familienaam Hildesheim veranderd om zijn Joodse afkomst te verbloemen), en de Joodse Rubinstein emigreerde vroeg naar de Verenigde Staten, maar verloor vele familieleden in de Holocaust.

In de eeuwen waarin bovenstaande mannen leefden, tierde het antisemitisme in Europa dermate welig dat je je maar beter als wit kon voordoen, hoewel van volledige acceptatie nooit sprake was. Echt wit zouden ze nooit worden. Dat zij nu deel zijn van de canon is mooi, en wellicht waren zij beter af dan de vele componisten van kleur uit hun tijd. Maar laten we geen leed met elkaar vergelijken.

Voermans’ whitewashing van deze Joodse componisten negeert de historische uitsluiting en marginalisatie waarmee deze mannen, ieder op zijn eigen manier, kampten. Aan Voermans’ andere suggestie (namen van de muren halen) en de associaties die ik daarbij heb, zal ik maar geen woorden vuil maken.

Veel liever heb ik het over de trots die ik – als Jood – voel wanneer ik het Concertgebouw (waar tijdens de Tweede Wereldoorlog zeventien Joodse orkestleden werden ontslagen, van wie er drie door de nazi’s werden vermoord) binnenloop en de namen zie prijken van Hiller, Mendelssohn, Mahler en Rubinstein. En ja, dat gevoel wens ik ook mijn vrienden van kleur toe.

Gideon Querido van Frank, Amsterdam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden