Opinie

Opinie: ‘Links moet een nieuw boegbeeld vinden’

Een fusie kan de linkse partijen een groot aantal zetels opleveren. Maar is dat een ­oplossing? John ­Jansen van Galen ­kijkt naar de politieke geschiedenis en stelt van niet.

Lilian Marijnissen (SP) en Jesse Klaver (GroenLinks) tijdens het debat met de Tweede Kamer over de aanpak van de stikstofproblematiek.  Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Lilian Marijnissen (SP) en Jesse Klaver (GroenLinks) tijdens het debat met de Tweede Kamer over de aanpak van de stikstofproblematiek.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

De verwachtingen waren hooggespannen toen PvdA, GroenLinks en SP in maart 2020 samen op het podium stonden in de Tolhuistuin. Maar ze blijven gescheiden optrekken. SP-leider Lilian Marijnissen zou weliswaar ‘graag met PvdA en GroenLinks regeren’, verklaarde ze onlangs in de Volkskrant, ‘maar ook prima met CDA en ChristenUnie’. Vrijblijvender kan het niet.

De vraag is: wat zou er bij gewonnen worden als ze wel samen gingen? Wordt links daardoor groter en invloedrijker dan de som der afzonderlijke delen? We moeten van de geschiedenis leren.

Teleurstelling

Het is een halve eeuw geleden dat op dit terrein de laatste grote poging werd ondernomen: de Progressieve Volkspartij, waarin de PvdA, D66 en de Politieke Partij Radikalen (PPR) moesten samensmelten. Gangmaker was Hans van Mierlo, wijlen de godfather van D66. En nog onlangs schreef diens biograaf Hubert Smeets in NRC een vlammend pleidooi voor zo’n linkse fusie. ‘De democratie staat op het spel,’ meent hij.

De PvdA is zelf het product van een fusie. Ze ontstond op 9 februari 1946 – vandaag driekwart eeuw geleden – uit de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Christen-Democratische Unie. De verwachtingen waren hooggespannen.

Na de Eerste Wereldoorlog haalde de SDAP 22 van de 100 zetels en het ‘eerste kwart’ van het electoraat leek binnen bereik te liggen. En nu als PvdA op naar het tweede kwart! De meerderheid van de stemmen gloorde. Maar terwijl de drie samenstellende partijen in 1937 samen 31 zetels hadden behaald, ­scoorde de nieuwe PvdA er slechts 29. De ­teleurstelling was groot.

Hoe kwam het? Zucht naar naoorlogse vernieuwing: de communisten, groots in het verzet, veroverden 10 van de 100 zetels. En ook: gebrek aan vertrouwen dat uit drie oude zakken samen nieuwe wijn geschonken zou worden.

Van Mierlo wilde na 1966 perspectief bieden aan linkse samenwerking. Hij gaf het, heel on-Nederlands, gestalte in een ‘schaduwkabinet’, gevormd door drie linkse partijen. Bij de eerste verkiezingen, in 1971, leek dat een succesvol recept: duidelijke zetelwinst, maar met 52 zetels bij elkaar nog slechts een derde van de Tweede Kamer. Een jaar later waren er opnieuw verkiezingen en een nieuwe sprong voorwaarts, nu naar 56 zetels.

Dat was ook meteen het eind van het verhaal: de PvdA voelde zich met 43 zetels en het premierschap van Den Uyl sterk genoeg om het verder alleen af te kunnen en zegde de samenwerking op. De kleinere partners spraken bitter van ‘verraad’. Het is nooit meer goed gekomen en nog niet, al wijdt men volgens Smeets ­‘vrome woorden en goede bedoelingen’ aan de noodzaak van linkse samenwerking.

Wat leert ons dit? De grootste partner heeft geen belang bij bemoeienis en dwarsliggerij van kleine bondgenoten. Dat zou op zich linkse samenwerking nu kansrijker maken, want PvdA, GroenLinks en SP zijn alledrie ongeveer even groot of, zo u wilt, even klein. Moet D66 er dan weer bij? Getalsmatig wel, maar veel D66’ers pruimen SP’ers niet en dat is geheel ­wederzijds. Al in 1972 was er onder Democraten al veel animositeit tegen de ‘socialisten’ van de PvdA.

Koene strijder

Wel hebben PvdA en GroenLinks elkaar beloofd niet zonder elkaar te zullen gaan regeren, maar uit de historie weten we ook wat dat waard is. In 1968 bewoog Jur Mellema, leider van de Christelijk-Historische Unie (CHU), zijn collega’s van de ­Katholieke Volks Partij en Anti-Revolutionaire Partij tot de belofte dat ze ‘samen uit, ­samen thuis’ zouden optrekken. Vier jaar later stapten KVP en ARP in het kabinet-Den Uyl en lieten de CHU buitenspel staan.

De fusie van deze drie christelijke partijen ­leverde in 1977 welgeteld één zetel winst op, maar die samenvoeging was vooral bedoeld om de gezamenlijk neergang te stoppen, wat overigens ook niet gelukt is.

Maar er is iets anders wat een fusie van partijen nu minder kansrijk maakt: mensen stemmen steeds minder op partijen en steeds meer op personen. Luister maar om u heen: ze hebben een ‘hekel aan Klaver’, vinden Rutte een ‘toffe peer’ en Pieter Omtzigt een ‘koene strijder’, dit geheel los van partij-etiketten. Als mensen in partijen niet meer hun thuishonk zien, heeft het ook weinig zin die partijen samen te voegen.

“Mensen kiezen een politicus zoals ze een vriend kiezen,” zei (wederom) Van Mierlo al in de jaren negentig, en dat is sindsdien steeds meer waar geworden. Ik kan het getuigen: hoewel geen christen heb ik jaren op mijn overbuurman Joël Voordewind van de ChristenUnie gestemd, die mij een rechtschapen man leek met het hart op de juiste plek.

Dus als links Nederland de nacht wil veroveren, moet het allereerst een aansprekend boegbeeld vinden, met wie wij als kiezers ­vrienden kunnen worden. Links had kunnen scoren met Lodewijk Asscher, maar die voelde in zijn eigen partij de grond onder zijn voeten wegzakken. Kwartetten over linkse samenwerking heeft weinig zin zonder duidelijke marsroute en een overtuigende aanvoerder.

John Jansen van Galen Journalist en publicist. Beeld ANP Kippa
John Jansen van Galen Journalist en publicist.Beeld ANP Kippa
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden