Opinie

Opinie: ‘Juridische basis avondklok is twijfelachtig’

23 januari is de avondklok ingegaan, en die is nu zelfs verlengd tot begin maart. De juridische basis voor de maatregel is echter twijfelachtig, schrijft universitair rechtsdocent Manon Julicher.

Tussen 21.00 en 4.30 uur mag niemand de straat op zonder goede reden.  Beeld Joris van Gennip
Tussen 21.00 en 4.30 uur mag niemand de straat op zonder goede reden.Beeld Joris van Gennip

De coronamaatregelen zijn een paradijs! Nee, niet voor de winkeliers, natuurlijk. Of voor thuiswerkende ouders. En voor fervente kroegtijgers is het een verschrikking. Maar wel voor staatsrechtjuristen: bijna elke maand is er wel iets om voor in de pen te klimmen vanwege de dubieuze juridische basis. Zijn we net bekomen van die twijfelachtige noodverordeningen met hun gebrek aan democratische legitimatie, heeft het volgende euvel zich alweer aangediend: de avondklok, die geldt sinds 23 januari, en haar juridische verpakking.

Wat is er aan de hand? Na lang debat bleek een meerderheid van de Kamer het kabinet te steunen bij de invoering van een avondklok van 21.00 uur tot 4.30 uur. Deze maatregel is gebaseerd op een speciale wet: de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (WBBBG), die allerlei noodbevoegdheden bevat, zoals het verbieden van samenkomsten, het interneren van gevaarlijke personen en, jawel, ‘het beperken van het vertoeven in de openlucht’.

In principe kan de WBBBG alleen in werking treden als er een nationale noodtoestand is uitgeroepen – dat is nu niet het geval. Maar sommige bevoegdheden uit deze wet, waaronder die mogelijkheid ons verblijf in de openlucht te beperken, kunnen ook zonder noodtoestand in werking treden. Het kabinet kan dan een besluit uitvaardigen waarmee dat gebeurt. Er moet dan wel sprake zijn van een buitengewone omstandigheid die meteen ingrijpen noodzakelijk maakt.

Zo’n besluit kan het kabinet in principe op eigen houtje nemen, maar het moet wel snel daarna een wetsvoorstel naar het parlement sturen met een verzoek om instemming. Gaat één van beide Kamers niet akkoord, dan moet het kabinet zijn besluit meteen weer intrekken.

Goedkeuring voor- én achteraf

De WBBBG kan slechts uit de kast gehaald worden als er sprake is van buitengewone en spoedeisende omstandigheden: zulke urgente omstandigheden, dat er geen tijd is om vooraf instemming van het parlement te vragen. Anders zou een en ander wel met een gewone wetsprocedure kunnen worden geregeld.

Bij de invoering van een avondklok was echter geen sprake van een spoedeisende situatie, want er wordt al vanaf november over gesproken. En toen de plannen wat concreter werden, besloot het kabinet eerst met de Tweede Kamer in debat te gaan, om zeker te weten dat deze akkoord zou gaan. Dat getuigt evenmin van een spoedeisende situatie.

Daarnaast zitten we nu met de gekke situatie dat de Tweede Kamer eigenlijk al goedkeuring heeft gegeven voor de avondklok, terwijl er nu een wetsprocedure in gang wordt gezet om juist die goedkeuring te vragen.

Een situatie als deze is dus niet waar de WBBBG voor is bedoeld. Ons wettelijke systeem van nood­bevoegdheden wordt daarmee ondermijnd.

Juridische coronasaga

Dit knelt temeer nu er ook een andere juridische route voorhanden was geweest. Want hadden we niet net een nieuwe wet gemaakt om de coronamaatregelen te regelen? Dat klopt, de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 (TWM), die op 1 december in werking is getreden. Deze wet had op korte termijn zodanig gewijzigd kunnen worden dat deze ook een basis voor de avondklok zou verschaffen. Dat concludeerde ook de Raad van State in zijn advies over de avondklok. Als hiervoor was gekozen, zou het parlement vooraf moeten instemmen, iets dat bij de invoering van de avondklok prima had gekund. De WBBBG had dan niet ingezet hoeven worden.

Wat een geneuzel op de vierkante millimeter, denkt u misschien. We hebben een maatregel en de Tweede Kamer is het daarmee eens. Dan zijn we er toch? Wellicht. Maar feit blijft dat de meest democratische manier om een ingrijpende maatregel als de avondklok te regelen (wijziging van de TWM) wordt overgeslagen ten faveure van een minder democratische manier.

Is dat hoe het een democratische rechtsstaat betaamt? Ik denk het niet.

Een en ander doet mij afvragen: what’s next in de juridische coronasaga? Ik denk dat ik het wel weet: de vaccinatiebewijzen. Vorige week maakte de Gezondheidsraad bekend dat die de inzet van vaccinatiebewijzen door private partijen onder voorwaarden gerechtvaardigd vindt. De overheid moet er – eventueel met wetgeving – op toezien dat deze voorwaarden worden nageleefd.

Hoe dit precies geregeld gaat worden, is uiteraard nog onbekend. Maar één ding is zeker: ook hier is de kans op juridisch geknetter weer groot.

Manon Julicher
 Beeld -
Manon JulicherBeeld -

Universitair docent bij de afdeling staatsrecht, bestuursrecht en rechtstheorie van de Universiteit Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden