Opinie

Opinie: ‘Een woning moeten delen zegt niks over je zaakjes wel of niet op orde hebben’

We zijn gewend om iemands succes af te lezen aan zijn woning. Maar op de huidige woningmarkt zullen we dat idee toch echt los moeten laten, stelt Lotte Krakers.

Het gros van de late twintigers en dertigers woont met huisgenoten. Beeld Hollandse Hoogte / Sabine Joosten
Het gros van de late twintigers en dertigers woont met huisgenoten.Beeld Hollandse Hoogte / Sabine Joosten

Een goede vriendin is afgestudeerd. Met andere goede vriendinnen proosten we op haar successen: de acht die ze kreeg voor haar scriptie, de baan die ze vond, het huis waar ze met haar partner introk. Ook de andere meiden zijn recentelijk gaan samenwonen in brandschone, witte appartementen met keurige hoekbanken, waar ik een beetje jaloers op ben. “Nu zijn we pas echt volwassen,” zegt iemand. De smoezelige studentenkamer waar ik nog steeds vertoef en mijn vijf huisgenoten worden buiten beschouwing gelaten.

Wanneer ik even later vertel dat ik ook ga verhuizen, reageren de meiden opgetogen. Als blijkt dat mijn verhuizing enkel een wisseling van kamers binnen het huis betreft, trekt het enthousiasme snel weg. “Straks heb ik wel een eigen balkonnetje!” probeer ik nog, maar tevergeefs: stilstand op de woningmarkt betekent stilstand in je persoonlijke leven.

Geen cadeau bij de housewarming

Het bij een housewarming gebruikelijke cadeau gaat aan mij voorbij. Zeven jaar geleden, in het eerste jaar van mijn studie Nederlands, liet de docent ons Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidt lezen. In zijn college focuste hij op de woningnood, die een prominente rol speelt in het boek. We kregen het openingslied van de filmbewerking te horen: ‘Een plek / een plek / wie weet een plek, voor Pluk, klonk het vanuit de bekende kraanwagen, ik vraag niet al te veel / geen paleis of een kasteel / geen bungalow, geen villa, en ook geen boerderij / gewoon een heel klein kamertje / wie heeft er plek voor mij?’

Het liedje raakte me destijds, en eigenlijk nog steeds. Want sinds mijn studententijd ben ik op de woningmarkt geen stap verder gekomen: nog steeds woon ik op kamers.

Voor mij, een single die werkt in de culturele sector, bestaat er geen eigen plek. Mijn realiteit, en die van veel anderen, is dat ik mijn woning moet delen. En dat botst met het idee dat ons van jongs af aan is meegegeven: dat hard werken zijn vruchten afwerpt, en dat succes maakbaar is – een idee dat we zelf in stand houden, wanneer we schamper praten over het stel dat samenwoont in een studentenkamer van zestien vierkante meter, of over die starter die graag het ouderlijk huis zou verlaten, maar daar geen mogelijkheid toe ziet. Of over de collega die noodgedwongen bij haar zus is ingetrokken, en dat doorgaans uit schaamte verzwijgt. Situaties die tegenwoordig niets meer zeggen over wilskracht of volwassenheid: in de huidige crisis is er geen ruimte om een persoonlijk oordeel te verbinden aan iemands woonsituatie.

Af van heersende woonstigma’s

Willen we elkaar niet nóg meer opjutten op de al zo verhitte woningmarkt, dan moeten we af van de nog altijd heersende woonstigma’s. Het gros van de late twintigers en dertigers woont met huisgenoten: dit zegt niks over je zaakjes wel of niet op orde hebben.

Ik wil het wonen met huisgenoten niet verheerlijken, als symptoombestrijding van de wooncrisis, noch wil ik me ervoor moeten verdedigen – iets wat ik lange tijd wel heb gedaan. Het huis deed ik af als iets tijdelijks, het zou niet passen bij de leeftijd die ik had bereikt en de studententijd die ik van me probeerde af te schudden. En terwijl ik tevergeefs bleef zoeken naar een andere, ‘volwassen’ woning, stelde ik noodgedwongen mijn verwachtingen bij, en begon ik het rommelige huis en zijn bewoners te waarderen.

Lang houden mijn vriendinnen en ik het niet vol op het afstudeerfeest: we zijn immers volwassen en moe van de werkweek. Eenmaal thuis blijk ik mijn huissleutel te zijn vergeten. Vanaf de straat zie ik licht branden. Ik bof, een van mijn huisgenoten is nog wakker.

Een eigen plek zit er voor mij waarschijnlijk überhaupt niet in, laat staan dat ik ruimte heb voor een hoekbank, maar wél is er altijd iemand thuis om me binnen te laten. En op dat moment voelt dat net zo waardevol.

Lotte Krakers, neerlandica en schrijver. Beeld Britt Bennink
Lotte Krakers, neerlandica en schrijver.Beeld Britt Bennink
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden