Opinie

Opinie: ‘Dodenherdenking is voor iedereen anders’

Simon Hammelburg schreef vorige week dat er weinig overblijft van de Dodenherdenking. Dochter Esther Hammelburg begrijpt zijn standpunt, maar vindt dat we onder ogen moeten zien dat de Jood niet de gemiddelde Nederlander is.

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima leggen een krans tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam.  Beeld ANP
Koning Willem-Alexander en koningin Maxima leggen een krans tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam.Beeld ANP

Tweemaal in mijn leven stond ik op 4 mei om acht uur ’s avonds op de Dam. Een keer gepland; een tweede keer door gebrekkige planning, het leek me beter dan in mijn eentje op kantoor. Na die tweede keer wist ik dat ik dit niet meer zou doen.

Dat moment delen met de gemiddelde Nederlander klopt niet met mijn gevoel als Jood. Het leed dat ik voel, de mensen aan wie ik denk, het gaat niet samen met die mengelmoes van mensen die zich verzamelen op die plek. Sindsdien ben ik bij de Hollandsche Schouwburg op 4 mei, maar ben ik wel blij dat tegelijkertijd op de Dam en op zo veel andere plekken in Nederland door andere mensen met andere gedachten wordt stilgestaan bij de doden. Niet hetzelfde, maar wel samen.

In maart sprak premier Mark Rutte (VVD) over de coronacrisis als grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Mij is wel gevraagd wat ik daarvan vond. Mijn antwoord: in zekere zin is deze situatie voor de gemiddelde Nederlander best vergelijkbaar met WO II, de Jood is een uitzondering. Het is terecht dat we bij WO II denken aan de verschrikkingen van de Shoah, aan de vernietigingskampen en de razzia’s, aan uitsluiting en brute moord op Joodse kinderen, vrouwen en mannen. Dit is echter niet het leed dat de gemiddelde Nederlander heeft geleden.

Sobere jeugd

In en na de oorlog zijn Joden diep gekwetst toen ze erachter kwamen hoe slecht het Nederlanderschap hen beschermde. Ze bleken makkelijk te worden uitgezonderd en weggevoerd. Ze werden door buren en collega’s verraden, in de ergste vorm door directe aangifte, in een mildere en vaak ook begrijpelijke vorm doordat de rest van Nederland ‘gewoon’ doorwerkte. Hoe pijnlijk is het als de samenleving blijft draaien terwijl jij er niet meer aan mag deelnemen.

Na de oorlog, bij terugkomst uit kampen of uit de onderduik, waren huizen en spullen vaak weg en kregen mensen rekeningen gepresenteerd voor achterstallige woonbelastingen of collegegelden. Voor de instanties bleken ze toen ineens wel burger, terwijl ze tijdens de bezetting niet mochten wonen in hun huis, noch studeren aan een universiteit.

De Joodse naoorlogse generatie draagt dit trauma met zich mee. In elke vezel voelen zij de pijn van hun ouders. Ze hebben in die pijn geleefd, in een jeugd die niet werd opgeleukt door gezelligheid met ooms en tantes, neven en nichten, want iedereen was dood. Dat draag je een leven lang met je mee.

Een deel van de felheid die we afgelopen week zagen van een aantal Joodse Nederlanders in opiniestukken, artikelen en boze brieven en tweets komt voort uit deze pijn. Het gevoel niet beschermd of gedragen te worden door het Nederlanderschap, of in een nationale herdenking. Mijn generatie – die ook leeft met doorgegeven trauma, maar in een andere, mildere vorm – moet dit onder ogen zien en zien dat je de geschiedenis niet kunt veranderen, maar de toekomst wel.

Niet hetzelfde, maar wel samen

De Nationale Herdenking op 4 mei is een herdenking waarin we Nederlanders samen willen brengen om te gedenken, en om, zoals Arnon Grunberg dat vorig jaar mooi verwoordde, juist even ziek te worden van ‘wie je níét wenst te zijn, maar wie je toch meent te kunnen worden’.

Dit kan niet zonder aandacht voor de verschrikkingen van de Shoah, maar het berust ook niet op enkel dat. Met de Nationale Herdenking op 4 mei tonen we als Nederlanders respect voor hen die stierven door onderdrukking en oorlog. We halen de verschrikkingen op om ons bewust te zijn van het grote belang van een vreedzaam leven. En dat is maar voor een deel een Joods verhaal.

Het grote Joodse verdriet moet door Joden worden gedragen, en moet verteld blijven worden zodat we onder ogen blijven zien waartoe uitsluiting kan leiden. De dodenherdenking op 4 mei is bij uitstek een moment om anderen hierbij te betrekken, maar dat doen we niet door hen te dwingen te herdenken wat ze niet voelen. En daarom moet het verhaal juist wel worden verbreed. Zodat we samen kunnen zijn, ook al zijn we niet hetzelfde.

Esther Hammelburg

Promovenda media studies aan de Universiteit van Amsterdam en docent aan de Hogeschool van Amsterdam.

Esther Hammelburg. Beeld
Esther Hammelburg.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden