Opinie

Opinie: ‘De Vaandeldrager was een buitenkans. Maar critici hebben óók gelijk’

De Nachtwacht van onze topkunstenaar Rembrandt heeft profijt van de aanschaf van De Vaandeldrager. Beeld ANP
De Nachtwacht van onze topkunstenaar Rembrandt heeft profijt van de aanschaf van De Vaandeldrager.Beeld ANP

Over de aanschaf van Rembrandts De Vaandeldrager uit 1636 door het Rijksmuseum en de vraag of de rijksoverheid daaraan 150 miljoen moet bijdragen is veel geschreven. Nu de Tweede Kamer akkoord is, kijkt Emile Schrijver terug.

Emile Schrijver

De hoge prijs van het werk, hoger dan voor Marten en Oopjen destijds, is velen een doorn in het oog. In deze krant is door Ruurd Mulder op 14 december betoogd dat de waarde van het schilderij op lange termijn de aanschaf rechtvaardigt, maar dan vooral als ruilobject in internationaal bruikleenverkeer. Dat gaat voorbij aan een relevanter argument voor het betalen van een hoge prijs: als wij besluiten dat onze topkunstenaars zo volledig mogelijk gerepresenteerd moeten worden in het openbaar kunstbezit, dan accepteren we dat we af en toe de kunstmarkt op gaan.

Tegenstanders hebben erop gewezen dat die markt voor topstukken volledig overspannen is en dat het niet in orde is dat musea – en zeker het Rijksmuseum – daaraan meedoen. Dat betekent echter de facto dat je accepteert dat we ons nationaal kunstbezit nooit meer met topstukken zullen uitbreiden. Willen we dat echt?

Niet de eerste keer

En er is nog een ander argument ten faveure van aankoop: de markt voor topstukken was altijd overspannen, niet alleen in 2021. Veel van de topstukken in onze musea zijn ooit voor een topbedrag, conform de toen geldende normen, aangekocht. Dit is niet de eerste keer dat de publieke opinie luidt dat zo’n bedrag te hoog is. En het zal niet de laatste keer zijn.

Ik onderschrijf de woorden van Tido Visser in De Volkskrant van 13 december: “Een kans (...) om een schilderij van zulke grootsheid binnen het publieke domein te brengen, moeten we met beide handen aangrijpen.”

En een Amerikaanse collega zei mij ooit: “Wij worden als musea herinnerd om wat we verzameld hebben, niet om wat we hebben betaald.” Dat is zeker geen argument om ieder bedrag te betalen dat gevraagd wordt, maar wel om te durven investeren in uitmuntende werken en je uiterste best te doen de vigerende marktwaarde daarvoor op te hoesten.

Niet of-of maar en-en

Er zijn meer argumenten tegen aankoop geuit. Er zou een achterhaalde opvatting uit blijken over onze kunsthistorische canon, terwijl er van hetzelfde geld een veelvoud aan kunst van ondervertegenwoordigde kunstenaars zou kunnen worden gekocht. De aankoop zou getuigen van dedain jegens de museale sector, die het de laatste jaren extreem zwaar heeft. En er zou voorbij worden gegaan aan de belangen van alle kunstenaars, makers, technici, en culturele instellingen, die het extreem moeilijk hebben en voor wie dit bedrag een enorm verschil zou maken.

Al deze bezwaren kunnen echter met hetzelfde argument worden tegengesproken: het is niet of-of maar en-en. Het geld dat wordt vrijgemaakt voor de aanschaf van De Vaandeldrager maakt geen deel uit van de reguliere begroting voor de kunsten, maar van de totale rijksbegroting van vele honderden miljarden. Reden daarvoor is dat dit inderdaad een eenmalige kans is om het openbaar kunstbezit te verrijken.

Maar dat maakt al die andere negatieve feiten niet minder dringend, integendeel.

1. Er móet dringend geld worden vrijgemaakt om meer kunst te kopen van ondervertegenwoordigde kunstenaars en een substantieel deel van 150 miljoen euro zou al een enorme stap vooruit betekenen.

2. De museale sector heeft het ondanks alle steun die we van de verschillende overheden wel ontvangen, en die velen van ons momenteel in leven houdt, ongelofelijk zwaar. Dat betreft niet alleen acute financiële noden, maar ook de gevolgen van het grillige coronabeleid en, vooral in de eerste maanden van de pandemie, de mentale effecten van de schaamteloze manier waarop het belang van de sector soms is gebagatelliseerd.

3. De manier waarop wij als samenleving omgaan met de belangen van zzp’ers in de kunstensector, denk aan zelfstandige kunstenaars, theatermakers, acteurs, musici en technici, is schandalig. Velen van hen leven al bijna twee jaar rond de armoedegrens. Bij voortduring wordt aan al deze gemotiveerde professionals, die schoonheid, kwaliteit en waarde toevoegen aan ons leven, gesuggereerd om maar een ander baantje te zoeken, want er is immers werk genoeg. Velen doen dat ook, om hun huur te betalen en om te eten, maar het gebrek aan waardering dat spreekt uit, bijvoorbeeld, het afschaffen van de Tozo-regeling in deze fase van de pandemie, laat zien dat we als samenleving blijkbaar echt neerkijken op deze beroepsgroepen.

Druppel op gloeiende plaat

Biedt het nieuwe regeerakkoord in de nabije toekomst soelaas? Dat moet nog blijken. De genoemde structurele investering van 170 miljoen op jaarbasis in de hele sector is in principe een druppel op een al vele jaren gloeiende plaat. Er worden aanzetten genoemd tot veel grotere plannen, maar die zijn, in de geest van het akkoord, nog niet uitgewerkt. Het is te hopen dat de urgentie van die aangekondigde plannen voldoende voor het voetlicht kan worden gebracht, ook in een tijd waarin nog veel andere enorme problemen spelen.

De cultuur en de creatieve industrie staan in het regeerakkoord in het hoofdstuk ‘Welvarend land’, samen met ondernemerschap, innovatie en digitalisering. De toekomst zal uitwijzen of het nieuwe politieke elan ook zal leiden tot echte herwaardering. Dat gaat over veel meer geld dan die ene Rembrandt en het gaat uiteindelijk ook om veel meer dan geld. Het gaat om de politieke wil duidelijke keuzes te maken ten behoeve en faveure van de kunsten en de creatieve sector.

Alles van waarde is immers weerloos, maar ‘wordt van aanraakbaarheid rijk’, zei Lucebert. Omwille van die aanraakbaarheid, en de daarmee samenhangende esthetische en intellectuele rijkdom, moeten we pal durven staan voor onze culturele sector en er eindelijk echt in willen investeren. Dat mag van een welvarend land verwacht worden.

Emile Schrijver is Algemeen Directeur van het Joods Cultureel Kwartier en Bijzonder Hoogleraar Geschiedenis van het Joods Cultureel Erfgoed aan de Universiteit van Amsterdam. Beeld Bob Bronshoff
Emile Schrijver is Algemeen Directeur van het Joods Cultureel Kwartier en Bijzonder Hoogleraar Geschiedenis van het Joods Cultureel Erfgoed aan de Universiteit van Amsterdam.Beeld Bob Bronshoff
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden