Opinie

Opinie: ‘Alleen namen van witte mannen in het Concertgebouw: moeten we dat niet eens upgraden?’

De cartouches in de Grote Zaal van het Concertgebouw, met enkele nieuwe namen. Beeld Nosh Neneh/bewerking Maarten Steenvoort
De cartouches in de Grote Zaal van het Concertgebouw, met enkele nieuwe namen.Beeld Nosh Neneh/bewerking Maarten Steenvoort

Op de cartouches in de zalen van het Concertgebouw staan alleen namen van witte mannen. Geen vrouw of zwarte te bekennen. Is het niet eens tijd om daar verandering in te brengen, of horen ze bij de geschiedenis van het gebouw en zijn ze daarom onaantastbaar? Een discussiestuk.

In de interessante zesdelige podcast Gemiste Sterren, die gaat over ten onrechte vergeten zwarte componisten in de klassieke muziek, wordt in aflevering drie bijna terloops een onderwerp aangestipt dat in deze tijd nog weleens tot vurige discussies zou kunnen leiden.

Laten we er dan maar meteen mee beginnen.

Het gaat over de cartouches in het Concertgebouw. Zowel in de Grote als de Kleine Zaal zijn bordjes aangebracht met daarop namen van componisten. In de Grote Zaal hangen er 46, in de Kleine Zaal 12.

Het heikele punt in deze tijd van inclusie en diversiteit is natuurlijk dat er op die bordjes uitsluitend en alleen witte mannen figureren. Geen vrouw te bekennen en ook geen zwarte componisten. De tijden zijn inmiddels veranderd, het is nu op zijn allerminst iets om eens over na te ­denken.

Glibberig terrein

De namen op de bordjes zijn een afspiegeling van maatschappelijke verhoudingen in de tijd waarin ze werden aangebracht – de meeste tussen 1888 en 1895, met toevoegingen in 1925. De allerlaatste addities waren in 1947 (Pijper), 1948 (Bartók) en 1952 (Stravinsky en Dvorák).

In 1952 had zowaar ook een vrouw bijna een cartouche gehaald, maar het voorstel Henriëtte Bosmans toe te voegen, werd door de heren die erover beslisten terzijde geschoven. “Mij dunkt, dat met het aanbrengen van haar naam in de Grote Zaal een glibberig terrein zou worden betreden,” aldus muziekbestuurder Salomon Bottenheim in een schrijven aan Rudolf Mengelberg, de toenmalige directeur van het Concertgebouw.

Het voorstel Julius Eastman, Samuel Coleridge-Taylor of Florence Price op een cartouche te zetten, of een van de andere zwarte componisten die in Gemiste Sterren aandacht krijgen, zou in kringen bij Bottenheim en Mengelberg slechts tot verbijsterde blikken hebben geleid. (‘Wie zegt u?’)

Symboolwerking

In de podcast stelt Kevin John Edusei, dirigent van Chineke!, het eerste professionele orkest met een bewust volledig etnisch diverse samenstelling, dat hij die cartouches in de huidige tijd problematisch vindt. En hij impliceert ook dat het Concertgebouw als centrale plek van de klassieke muziek op die manier ‘kansen mist’. “People of colour voelen zich nu niet automatisch welkom of ondersteund.”

Hij zegt het uit liefde voor de muziek. “Iedereen is welkom en iedereen hoort bij deze cultuur.”

De naam van een zwarte componist op een cartouche zou bovendien ‘een heel sterke symboolwerking hebben voor de zwarte gemeenschap’.

Als presentator Floris Kortie dan opwerpt dat er nog twee cartouches leeg zijn (inderdaad, naast Stravinsky en Dvorák zijn op de balkons nog twee plekken vrij) en vraagt wie daar dan op zouden moeten staan, weet Edusei het antwoord wel.

Hij durft zelfs een volgende stap wel aan: “Haal alle namen eraf en maak een nieuwe lijst, want nu wordt de veelkleurigheid van onze huidige maatschappij niet weerspiegeld. Of maak digitale bordjes die steeds wisselen.”

Interessante gedachte. Wel roept het een paar vragen op. Krijg je door namen te actualiseren straks niet weer hetzelfde probleem? Wie bepaalt welke namen er komen en gaan? En wat is eigenlijk het doel van die eregalerij? Is het een weerslag van smaak, van kwaliteit, van sociologische processen?

Bouwgeschiedenis

Martijn Sanders, voormalig directeur van het Concertgebouw, had twintig jaar geleden een prikkelend antwoord: “De waan van de dag in 1888 vind ik leuk en curieus en die wil ik niet laten overvleugelen door de waan van vandaag.”

De huidige directeur Simon Reinink deelt die mening, maar staat ook open voor verandering. “De cartouches zijn onderdeel van de bouwgeschiedenis en daarmee van de zeitgeist. Maar ik sluit niks uit. Het zal wel een pandemonium worden. Hetzelfde kun je zeggen over de schilderijen en portretten op de gangen. Moeten we die niet eens upgraden? Superieure foto’s van artiesten die hebben bijgedragen aan de artistieke geschiedenis van het gebouw – ik zou dat wel willen.”

Afspiegeling van de muziek

Zouden die cartouches niet ook simpelweg een afspiegeling moeten zijn van de muziek die ooit in het Concertgebouw klonk? Dan zouden ook Aretha Franklin, Sarah Vaughan, Miles Davis, Duke Ellington, Nina Simone, John Coltrane, Keith Jarrett, Frank Zappa, Led Zeppelin, The Band, Paul McCartney, Bernard Herrmann, André Hazes, Willeke Alberti en Jasperina de Jong in beeld komen, naast voor de hand liggender keuzes als Horowitz, Kleiber, Callas, Varèse, Boulez, Stockhausen, Ligeti, Saariaho, Reinbert de Leeuw en Louis Andriessen.

En als ik ook eens iets mag zeggen: in elk geval mogen in de Grote Zaal minimaal de volgende namen verdwijnen: Wanning, Niels Gade, Schuyt, ­Reincken, Zweers, Van Bree en Dopper. In de Kleine Zaal kan Hiller weg en ook Mendelssohn, Bach, Haydn, Mozart, Beethoven, Schumann, Brahms en Rubinstein, want die hebben allemaal al een bordje in de Grote Zaal. Dat schept al meteen wat ruimte voor alternatieven die de stilistische weidsheid van de muziek die in het Concertgebouw tot klinken komt meer reflecteren.

Overigens zijn op de muren onder de balkons nog 22 kleinere cartouches helemaal blanco.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden