Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Opeens zag ik dat er in het nachtelijk straatbeeld iets was veranderd

PlusTheodor Holman

Mijn humeur was slecht, werd slechter en toen het op zijn slechtst was, kwam een dakloze mij om geld vragen. Hij bleef keurig op anderhalve meter afstand staan. Hij was zelfs beleefd en voorkomend. Hij leek me zo’n ‘per ongeluk’ dakloze: gescheiden, huis uitgeschopt, baan kwijt, onmogelijk om betaalbare kamer te vinden, en opeens ben je in de drab van de stad terechtgekomen.

Ik bekte hem af. Hij schrok.

“De man heeft in deze coronatijd geen dak boven zijn hoofd,” zei iemand.

“En ik vond je stukjes nog wel zo mooi,” zei de dakloze en liep weg.

Toen zette het grote schamen in als een dramatische symfonie.

Het was onmogelijk om het goed te maken of mijn excuses aan te bieden. Ik wilde eigenlijk boete doen, want in tijden van nood borrelt je opvoeding naar boven en mijn moeder deed altijd voor alles boete in de vorm van overdreven veel vrijwilligerswerk.

Maar hoe moest ik boete doen?

Een wandaad in balans brengen lukt nooit. Elk offer dat je daarvoor plengt, wist de oorspronkelijke zonde niet uit. Verder waren deze kleine rituelen aan mij nooit zo besteed geweest (mijn schaduw weet dat hij een slecht mens volgt), maar opeens had ik er behoefte aan.

Mijn straf was dat de dakloze de verdere dag en avond aan mijn geweten bleef knagen, wat me zinloos voedsel voor hem leek.

Dus ben ik om vier uur vannacht naar hem op zoek gegaan met een biljet van 50 euro in mijn zak. Voor de route liet ik me leiden door Koos, die trouwens net gezakt is voor zijn opleiding tot speurhond.

Opeens zag ik dat er in het nachtelijk straatbeeld iets was veranderd. Het leek drukker dan overdag. Overal was men aan het rennen en fietsen; het leven leek zich van de dag te hebben verplaatst naar de nacht. Die renners moesten weg, ze hielden geen afstand. Ik schold, maar bedacht dat ik bezig was boete te doen, daar past geen gescheld bij. Opeens was ik bij begraafplaats De Nieuwe Ooster. Half zes was het, geloof ik. Het was er druk. Waren de doden opgestaan?

In de duisternis zag ik een jonge mensachtige bij de ingang hangen. “Kom je ook voor François?” vroeg hij.

“Nee, dit is Holman…,” zei een andere mensachtige.

Het leek me beter me om te draaien en naar huis te gaan. De boete was betaald.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden