Plus Column

Op kamers aan het IJ en in het IJ

Pepijn Lanen Beeld Corné van der Stelt

Ik ben in de Haarlemmer Houthavens om me misschien in te schrijven om kans te maken ingeloot te worden om heel veel geld te mogen betalen voor een woning in een nieuwbouwproject. Onderweg ernaartoe fiets ik langs de plek waar eerst de pont naar de NDSM-werf ging. Ik weet niet wanneer het is opgegeten door de nieuwe stad, maar ik herken de uitgerekte parkeerplaats nergens terug.

Ik weet wel dat het hier is, aan de waterkant tegenover het einde van de Houtmankade. De pontsteiger met aan het einde nog een tweede lange smalle steiger die het IJ instak. Hier maakte ik mijn glorieuze woonentree in het legendarische Amsterdam in het jaar des Heren tweeduizend-en-twee.

Via een website had ik gereageerd op een advertentie voor een kamer op een woonboot. Toen ik op een goeie dag weer eens uitgezworven bij mijn ouders thuiskwam om hen te trakteren op mijn aanwezigheid, vuile was en rammelende maag, zei mijn moeder dat ze gebeld had: de woonboot, naar hun huis­telefoon met 030 ervoor, omdat ik in die tijd nog geen mobiele telefoon had.

Ik moest maar snel terugbellen. Niet veel later stond ik aan het einde van de pontsteiger met zo'n zoekend gezicht met opgetrokken lippen en samengeknepen ogen.

De verhuurster was een beetje een hekserig type; ik bedoel dat ze er een beetje uitzag als een heksje. Maar niet een grote boze, eerder een kleine, gezellige heks. Ze wees me de kamer die verder losstond van de rest van de boot waar zij met haar man, kind en toverspulletjes woonde. De wc was buiten, er was geen verwarming en ik kon net overeind staan. Ik was meteen verkocht.

De zaterdag daarop reden mijn ouders me in hun Peugeot stationwagon met een selectie van mijn zooi in dozen naar de steiger. Het laatste eindje moest gelopen worden, maar mijn moeder vond ergens een winkelwagentje. Daar kon dan van alles tegelijk in.

Terwijl ik binnen in de kamer dingen neerzette, waaide het winkelwagentje gevuld met al mijn langspeelplaten uit de handen van mijn moeder pardoes het IJ in. Ik wist niet wat ik moest doen, maar mijn vader wel. "Spring er maar in, jongen," zei hij kalm en vastberaden, luttele momenten voor ik mijn kleren uittrok.

Mijn broer kwam als welkomstgeschenk een doos met keukenspullen brengen en ik droogde samen met wat er over was van mijn platen op. Nog weken had ik een gekke jeuk te pakken. Maar wat woonde ik in Amsterdam.

Als ik aankom in het Amsterdam Theater ziet het zwart van de mensen. Ik neem voor de vorm een catalogus en prijslijst aan en ga er wat in zitten bladeren. Mijn potentiële buren krioelen bijna over elkaar naar binnen. Ik sla deze even over, denk ik. Ik heb zin om in het IJ te springen.

Pepijn Lanen (1982), ook bekend als Faberyayo, is rapper, schrijver en tekstschrijver van onder meer De Jeugd van Tegenwoordig en LeLe. Elke zaterdag schrijft hij een column voor Het Parool. In het archief lees je ze allemaal terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden