Opinie

'Ook na Bergen-Belsen is er nog hoop'

Ariëlla Kornmehl bezocht vanuit haar schrijversresidentie Bergen-Belsen. 'Je wilt alleen maar kunnen hopen dat het verleden tijd is, dat het tegenwoordig beter is.'

Herdenking in Bergen-Belsen,deze week, van de bevrijding van het kamp, 74 jaar geleden. Beeld Focke Strangmann/EPA

Midden april bezocht ik Bergen-Belsen, het voormalige concentratiekamp waar meer dan 70.000 mensen aan de uitputtings- en hongerdood zijn gestorven. Ik zag er enorm tegenop. Onder professionele begeleiding van historici bracht ik samen met mijn dierbare collega Tommy Wieringa een indrukwekkende dag door in het kamp.

Ook de aangrenzende kazerne hebben we uitgebreid bezocht. We bezochten de feestzalen van de SS'ers, waar toentertijd werd gedronken en gedanst na een dag werken in het concentratiekamp. Hier werden de flessen ontkurkt, ­terwijl op een steenworp afstand duizenden uitgehongerde mensen lagen te creperen in overvolle barakken.

Mijn schrijversresidentie, ter beschikking gesteld door de stad Bergen in samenwerking met het Nederlandse Letterenfonds, is in een gebied waar ik bij elke stap die ik zet, het gevoel krijg dat ik over het verleden leer. Collega Daan Heerma van Voss had me al veel verteld in de aanloop naar mijn tweejarige aanstelling hier, hij ging mij voor in deze residentie.

Besneeuwde massagraven
Ook herlas ik veel werken, zoals Amor fati van Abel Herzberg, in de aanloop naar mijn vertrek. En toch blijk je je niet voor te kunnen bereiden op wat je ervaart als je hier bent.

Terwijl we over het terrein liepen waar de barakken hadden gestaan, waar zovelen het leven hadden gelaten, begon het hard te sneeuwen. Na een lange wandeling tussen de besneeuwde massagraven liepen we uiterst traag het kamp weer uit. Met onze ruggen naar de doden gekeerd lieten we het kamp achter ons. Maar we lieten het niet achter ons.

We besloten in het dichtstbijzijnde cafeetje op te warmen. Hoe is het mogelijk, dat het midden april ineens zo hard sneeuwt? Tommy vroeg wat me verdrietig maakte, blijkbaar kon mijn gezicht niets verbergen. Of het de indrukken in het kamp waren? Maar dat was het niet alleen. Of ik last had van de kou. Het voelde niet alsof ik ook maar een schijntje recht had om last te hebben van de kou. Ik, met mijn warme schoenen en winterjas aan, denkend aan mensen zonder schoeisel in dunne gevangenispakken. Nee, het was de ontwikkeling en de vooruitgang, of beter gezegd, het gebrek daaraan, dat me zo somber stemde.

Wanneer je het kamp uitwandelt en nadat je uitgebreid hebt geleerd over de onvoorstelbare onmenselijkheden die een bevolkingsgroep en gevangenen is aangedaan, over de wreedheid van de mens en de gewetenloosheid die alle ellende heeft veroorzaakt, wil je alleen maar kunnen hopen dat dat verleden tijd is, dat het tegenwoordig beter is, dat dat niet meer ­gebeurt, dat mensen respectvol met elkaar ­omgaan.

Amper iets veranderd
Maar de werkelijkheid laat anders zien, overal in de wereld, op elk continent, zijn er nog steeds plekken waar mensen elkaar afslachten omdat ze anders zijn, gewoon om wie ze zijn. De wereld wordt nog steeds bevolkt door mensen wier dierlijke ziel de goddelijke ziel overheerst. Er lijkt amper iets veranderd. Dat is wat verdrietig maakt, dat kinderen niet in een betere wereld opgroeien.

Maar we moeten ons best doen. Blijven doen. Ik weiger toe te geven aan die uitzichtloze gedachte dat er geen vooruitgang mogelijk is in onze wereld. Al lijkt het onmogelijk, op deze plek, moet ik toch proberen om weer groter te denken, in duizenden jaren. Alleen dan is er iets van vooruitgang zichtbaar. Het ontstaan van de rechtstaat heeft burgers in de loop der tijd meer bescherming gegeven. Al heeft het systeem al flink gefaald.

De Europese beschaving heeft z'n ups en ­diepe downs door de eeuwen heen gehad, maar er is misschien toch sprake van ontwikkeling. Morele wetgeving heeft de mensheid al goed gedaan. We zijn op weg. Het kan nog eeuwen duren, maar de balans tussen goed en kwaad zal ooit gevonden worden. En overal moeten worden nageleefd.

Wederzijds respect
Ik ben nu een paar dagen in Bergen, waar ik me thuis voel. Ik word hier omringd door fijne mensen en ik ben van plan om hier iets toe te voegen, al is het op piepkleine schaal, onder meer door het programma waar ik aan deelneem op lokale middelbare scholen.

We vangen aan door met de leerlingen wederom het verleden te bespreken, de geschiedenis die nooit vergeten mag worden, en we verdiepen ons in de toekomst. Tolerantie, immigratie en wederzijds respect staan op de agenda.

In mijn gebrekkige Duits ga ik daaraan meewerken, ook aan de hand van mijn vertaalde romans, omdat ik deel wil uitmaken van de wereld­bevolking die vooruit wil, met elkaar. Welke kleur, religie of achtergrond mensen ook hebben. Omdat we als mens allemaal dezelfde rechten hebben. We zijn aan elkaar verbonden en delen onze wereld.

We moeten zorgen dat er ooit een dag komt waarop scholieren na een rondleiding door het gruwelijke Bergen-Belsen, een moreel ijkpunt van de westerse beschaving, tegen elkaar kunnen zeggen: dat was vroeger zo, maar vandaag de dag leven we in een betere wereld.

Schrijver Ariëlla Kornmehl, publiceerde bij ­Uitgeverij Cossee onder meer De Vlindermaand (2005) en Wat ik moest verzwijgen (2013). Beeld Ekko von Schwichow
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden