Lezersbrief

'Onze Joodse collega's werden weggevoerd in vrachtauto's'

Anneke Koehof schrijft over de ervaringen van haar tante Roos, een van de twee nog levende personeelsleden die de inval van de Grüne Polizei in de Hollandia Confectiefabrieken in Kattenburg meemaakte.

Oud-medewerkers van de voormalige confectiefabriek Hollandia Kattenburg tijdens een herdenking. In totaal werden 826 personen afgevoerd. Slechts acht werknemers kwamen terug van de concentratiekampen. Beeld anp

Mijn tante Roos was 17 jaar toen ze in 1937 ging werken bij Hollandia Kattenburg. Zo fietste Roosje elke morgen van de Kastanjeweg naar de Valkenwegpont over het IJ. Daar, naast de A.D.M. (de Amsterdamse Droogdok Maatschappij), was het gebouw van de textielfabriek, waar ze de hele dag belegsels aan regenjassen moest stikken.

Het beviel haar goed, ze had er leuke collega's en ze verdiende maar liefst 5 gulden in de week, Ze kreeg ook een vriendje, Meier Papegaai. Maar de liefde kreeg geen kans om verder op te bloeien, want al op de eerste dag dat het dragen van een ster verplicht gesteld was, 1 mei 1942, werd hij opgepakt.

Hollandia Kattenburg was een Joods bedrijf, waar Joodse werknemers zich thuis voelden. Maar in de oorlog speelde nog iets mee: onder dwang van de bezetter werden uniformen gemaakt voor het Duitse leger en daarom waren de Joodse werknemers en hun gezinnen voorlopig gesperrt (vrijgesteld van deportatie).

Zo voelden zij zich redelijk veilig en hoopten ze op een snelle afloop van de oorlog.

Maar uiteindelijk vielen de troepen van de Grüne Polizei, onder leiding van de beruchte nazimisdadiger Willy Lages, de Hollandia Confectiefabrieken Kattenburg binnen. Alle in- en uitgangen werden hermetisch afgesloten.

Ik vervolg dit verhaal met wat ik heb opgetekend uit de mond van mijn hoogbejaarde tante Roos, zij is een van de twee nog levende personeelsleden die dit persoonlijk hebben meegemaakt.

"Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi-afdeling, daar kwamen ze het eerst. We werden als schapen en bokken gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere."

"Als eerste werd Rebecca Groenteman eruit gehaald, zij was communistisch en dat wisten die Duitsers precies. Ik weet zeker dat dát verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden. Ze hadden lijsten met namen bij zich en de Joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk."

"We zagen onze Joodse collega's weggevoerd worden in vrachtauto's: Marietje Kloot, zij was vaak ziek en ik moest haar dan haar loonzakje brengen. Haar vader was fruithandelaar en ik kreeg dan de sappigste peer en de meest verse ananas."

"Saartje Melkman, Arie Swaab, Sjakie Kaas, Lowietje de Groot, hij was chef, Jet de Groot, Roosje Meents, die elke week bonnetjes verkocht voor de matzes met Pasen. Ach, het waren er zovelen, en we waren nog steeds in de veronderstelling dat ze naar een werkkamp gingen..."

Het was na die tijd heel moeilijk om weer naar het werk te gaan, maar we moesten door. Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de Joodse werknemers niet waren opgehaald: het was een promotie met een rouwrand."

Anneke Koehof, Amsterdam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden