Theodor Holman Beeld Artur Krynicki

Oma dacht dat ik haar overleden geliefde was

Plus Theodor Holman

Heb ik het gen waardoor ik niet dement word?

Nee, dat heb ik, denk ik, niet.

Ik heb nu al het idee dat pacman grote hompen van mijn hersens wegvreet en laatst heb ik in het bad met veel genoegen een Donald Duck gelezen die mijn kleinzoon had achtergelaten.

Al mijn grootouders – voor zover ze niet in de oorlog zijn vermoord – waren dement.

Was dat erg?

Mijn moeder leed eronder. (“Mams herkende me niet meer.”).

Mij herkende oma op een gegeven moment ook niet.

Ik reed haar, het was in de zomer van 1974, in haar rolstoel door het Vondelpark en ze was kinds.

Ze gaf elke bloem de naam ‘die ken ik, hoe heet ie ook alweer?’

“Madeliefje, oma.”

“Ja, en deze, die ken ik, hoe heet ie ook alweer?”

“Madeliefje, oma.”

“En waar is oma?”

In december van dat jaar zou ze sterven in het Prinsengrachtziekenhuis.

De nacht voor ze stierf bezocht ik haar samen met mijn moeder.

“Ga weg! Ga weg!” riep ze ­tegen haar dochter.

Ze kon bijna geen adem meer halen. Ze wilde slapen en ze had hinder van het licht. Mijn moeder zong een slaapliedje voor haar en ik streelde oma door haar weinige haar en hoopte dat ze niet zou sterven. Toen ze vast sliep, besloten we weg te gaan. Maar vlak voor de deur, hoorden we oma zeggen: “Dag Ton. Tot zo.”

Ton was haar man die al twintig jaar dood was.

Omdat ik de man was, fluisterde mijn moeder: “Ze denkt dat jij Ton bent. Jij moet nu iets zeggen.”

“Wat moet ik dan zeggen?” vroeg ik aan mijn moeder.

“Je moet zeggen: Dag Corrie.”

“Dag Corrie!” zei ik.

Waarop oma zei: “Wie is die vrouw daar naast je, Ton?”

“Dat is onze dochter, Corrie,” zei ik.

Mijn moeder ging naar haar moeder toe en kuste haar. Ik bleef op enige afstand.

“Morgen ben ik er weer,” zei mijn moeder.

Oma reageerde niet.

Toen richtte ze haar ogen weer op mij.

Haar lichaam was doorschijnend geworden. In haar ogen had de dood al de glans weg­geblazen. Mijn moeder hield haar hand vast en maande haar te slapen. Dat wilde ze niet. Ze bleef mij aankijken.

“Ga maar slapen, oma,” zei ik.

Ze deed haar ogen dicht en toen weer open en zei: “Wat een heerlijke dag.”

“Ja,” zei ik.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden