Opinie

'O, wat hou ik van de rand van deze stad'

Wat maakt blij of irriteert in Amsterdam? Een zomerserie over de (on)genoegens van de stad. Vandaag schrijft toneel- en romanschrijver Rashid Novaire hoe hij warmloopt voor uitzichten.

Rashid Novaire
'Je zag er mensen die nog sliepen op het midden van de dag omdat ze zich 's nachts hadden gewarmd aan een laaiend vuur' Beeld Mike Ottink
'Je zag er mensen die nog sliepen op het midden van de dag omdat ze zich 's nachts hadden gewarmd aan een laaiend vuur'Beeld Mike Ottink

Ooit schreef ik een gedicht over de muziek van uitzichten. Twaalf of dertien was ik. Mijn gedichten waren óók bedoeld om mee te doen aan wedstrijden: El Hizjra, de Kunstbende; als Amsterdams kind wist ik dat cultuur wordt beloond. Ik bedoelde dat natúúrlijk niet letterlijk, legde ik de juf uit.

Ik had het niet over een accordeon of speelman aan de horizon, ik had het over wat een uitzicht belooft. Een belofte als een laaiend vuur. Een uitzicht van vrijheid waaraan je deel wenst te nemen maar wat net niet binnen bereik ligt. Maar bijna. Als je erheen durft. Als je het landschap van het uitzicht zal gaan bewonen.

Laaiend vuur
O, wat hield ik van de fietstochten achterop bij mijn moeder over de smalle strekdam en de brug bij de KNSM-laan. Je had uitzicht op de Levantkade waar in de jaren tachtig de stadsnomaden woonden. Een groep mensen die kozen voor een vrij bestaan. Kunstenaars die op boten leefden. Of in caravans met felgekleurde plastic gordijnen.

Je zag er, ik dwong af niet slechts voorbij te rijden maar er op zondagmorgen te gaan lopen, twee stilettohakken die zwierven tussen losgewrikte stoeptegels, een loods waar licht binnen dreef. Voor de deur: een sculptuur van roestplaten die glinsterden van de pas gevallen regen, je zag er mensen die nog sliepen op het midden van de dag omdat ze zich 's nachts hadden gewarmd aan een laaiend vuur. Een laaiend vuur, met vlammen metershoog.

Schepen
Ik wilde horen bij deze mensen, een nest van woorden en liefde bouwen op een plaats dicht bij mij maar aan het einde van de wereld. Die sensatie van weg te zijn en tegelijkertijd thuis te komen is er nog steeds op de Levantkade; je voelt de stad liggen maar bent er ook van weg. Je ziet het Lloyd Hotel, de zichtlijn naar het CS. Langs deze lijn voeren schepen weg.

Schepen naar Amerika, mensen renden daar door de haven voor een reis om te vluchten van het naderend onheil dat deze stad in de Tweede Wereldoorlog bedreigde. Schepen naar Suriname, mensen slenterden daar door de haven voor een reis naar een land waar ze teder hun heil zochten na jaren in een koude stad.

Maar ik, ik blijf, waar ik ook heen vlucht of slenter, in gedachten altijd hier. In het verbeelde en beleefde Amsterdam. De plaats van mijn dagen, van mijn verleden en geleden tijd. Achter op de fiets bij mijn moeder. O, wat hou ik van de rand van deze stad. Waar wind je zinnen verzet, mensen hun hakken laten slingeren op de kade, uitslapen, wakker worden en een venster openen op het water.

Woensdag schrijft econoom Arnold Heertje over het ongelukkige huwelijk tussen de UvA en de HvA. Lees ook deel 1 van Linda Duits: Wie kleurt nog buiten de lijntjes in deze stad?

De Levantkade op het KNSM Eiland Beeld anp
De Levantkade op het KNSM EilandBeeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden