Noraly Beyer-Oostvriesland: wat doet mijn naam op een grachtenpand?

Wat doet mijn familienaam op de gevel van een Amsterdams grachtenpand, vroeg Noraly Beyer-Oostvriesland zich af. Het was het begin van een speurtocht.

Noraly Beyer-Oostvriesland Beeld ANP

Het moet ergens in de jaren zestig zijn geweest dat ik met twee broers in Amsterdam was. Bij het Damrak stond mijn jongere broer opeens stil en zei: "Kijk!" Hij wees naar de gevel van een huis. "Onze naam."

We wisten niet zo gauw waarnaar we moesten kijken en wat we moesten zien. "Kijk," zei hij weer, "onze naam." En inderdaad, op de top van de gevel onder een rijkversierde lijst met twee zeemeerminnen en een groot wijnvat stond: 'Oost Vries Lant'.

Als mensen onze naam schreven, moesten we er altijd bij zeggen: "Oostvriesland met een v, niet met een f." En hier stond het zomaar goed. Midden in Amsterdam. Gebeiteld in de gevel van een huis met het jaartal 1740. We rekenden ons direct rijk, want hoopten dat we na dik 200 jaar eindelijk ons deel konden gaan opeisen van... ja van wie en van wat eigenlijk?

De speurtocht die we daarna inzetten, heeft niet veel opgeleverd. Pas vorig jaar ontdekte ik dat Egbert van Emden, een Asjkenazische Jood uit Amsterdam, met roots in Oost-Friesland, naar Suriname was gegaan om zijn geluk te beproeven. Door te trouwen met Gracia de la Parra, dochter van een van de rijkste Sefardisch-Joodse families in Paramaribo, werd hij een aanzienlijk man met plantages en de bijbehorende slaven.

Koloniale geschiedenis
Toen Gracia een jaar later in het kraambed overleed, werd het jongetje, Evert, gezoogd door de slavin Sophietje. Zij werd later vrij­gekocht door Van Emden, waarna hij haar de achternaam Oostvriesland gaf. Ziedaar de oorsprong van mijn meisjesnaam. En ziedaar het bewijs dat onze familienaam is terug te voeren op de koloniale geschiedenis van Nederland.

Blijft de vraag: hoe komt deze naam nu terecht op de achtergevel van het pand Warmoesstraat 16, dat doorloopt naar het Damrak? Bekend is dat het huis in 1735 gekocht is door wijnkoper Christiaan Lankhorst en vijf jaar later, in 1740, door hem is gerestaureerd. Het wijnvat in de gevelversiering verwijst naar zijn beroep.

Aardappelen en draadjesvlees
Vroeger, als kind op Curaçao, leerde ik op school het lied In Holland staat een huis. Ik zong uit volle borst mee, al had ik geen idee wat en waar Holland was. Alle boekjes op school kwamen uit Holland en refereerden natuurlijk allemaal ook aan het Hollandse leven. Ik kon de provincies en hun hoofdsteden opdreunen en leerde ook dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkwam. Ons land.

Op mijn twaalfde kwam ik naar Holland. Ik moest wennen aan het koude weer en aardappelen met draadjesvlees. Ik had me erbij neergelegd dat mensen me wilden aanraken. Mensen noemden me moorkop. Ik noemde hen kaaskop.

Soms zeiden ze dat ik een missiekind was. Dan dacht ik terug aan de collectebus op de ­lessenaar van mijn juf op Curaçao voor de ­missiekindjes in Afrika. Nu bleek ik zelf een missiekind te zijn.

Noraly Beyer-Oostvriesland

Oud-journaallezer, voorzitter van stichting Julius Leeft, die voorstellingen maakt over de geschiedenis van Nederland en zijn voormalige koloniën.

'Plantage op Curaçao', schoolplaat (1911). Toen Noraly Beyer uit de kolonie naar Nederland kwam, had ze heel wat 'omgekeerd missiewerk' te doen Beeld Hollandse Hoogte

Ik sloofde me uit om andere kinderen uit te leggen dat mijn ouders in Suriname waren geboren, dat Curaçao een eiland in de Caribische Zee was en niet de hoofdstad van Suriname en dat je dus niet kon rijden van Curaçao naar Suriname. Lang niet iedereen vond het normaal dat ik Nederlands sprak en dat ik kon meepraten over Pietje Bell, Dik Trom, Flipje, Afke's tiental, Michiel de Ruyter en Piet Hein. Ik deed wat ik kon en stortte me vol overgave in dit omgekeerde missiewerk.

De beschikbare bronnen over de geschiedenis, de topografie, de mensen en de cultuur van de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk waren zo summier dat ik afhankelijk werd van mijn fantasie om mezelf te duiden. Tot ik op mijn veertiende Zuid-Zuid-West las, het debuut van Albert Helman, een lofzang op Suriname, 'een land dat schittert in de zon en toch bezwijkt onder de verwaarlozing en uitbuiting en vooral de liefdeloosheid van de Nederlandse kolonisator'.

Niet eerder had een boek zo'n groot verlangen bij mij opgeroepen naar iets wat mij vreemd is en ook weer niet. Ik leerde van Helman dat de geschiedenis je helpt om het heden te begrijpen, en dat je altijd op moet komen voor gerechtigheid en vrede.

Achterdocht en xenofobie
Nog even terug naar het Damrak. Eigenlijk deert het ons niet dat we niet weten waarom ­onze naam er op een huis staat. Het feit alleen dat onze familienaam in steen gebeiteld is in de hoofdstad van Nederland is een onmiskenbare aanwijzing dat Nederland en Suriname een geschiedenis met elkaar delen. Het is voor mij een goed wapen tegen onwetendheid, achterdocht en xenofobie, vermomd in vragen als: wat doe je hier, wanneer ga je terug naar je land, hoe komt dat je zo goed Nederlands spreekt?

Sinds dat moment dat mijn broers en ik stonden te dagdromen bij het Damrak staat het voor mij vast dat Nederland, met name Amsterdam, en ik een geschiedenis delen en dat wij bij ­elkaar horen."

Het volledige verhaal is na te lezen op
www.amsterdam.nl/gedeeldegeschiedenis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden