Johan Fretz. Beeld Artur Krynicki
Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

‘Nooit meer oorlog!’, ooit een vurige bezwering, is verworden tot een flets mantra

PlusJohan Fretz

Johan Fretz

Ik realiseer me dat ik oorlog altijd ­verkeerd heb begrepen. Als je terugkijkt op de geschiedenis lijken mensen vaak zo naïef: je bladert door de vuistdikke kronieken, bekijkt zwart-witdocumentaires en ziet hoe hele volksstammen met open ogen hun eigen ondergang tegemoetlopen.

Je vraagt je af waarom ze het niet eerder zagen aankomen, terwijl het met de kennis van nu zo voorspelbaar was. Nu weet ik: zo zullen ze jaren van hier ook naar ons kijken. Wij naderden het ravijn al heel lang en evengoed waanden we ons onsterfelijk. De kreet ‘Nooit meer oorlog!’, ooit een vurige bezwering, was verworden tot een flets mantra dat we plichtmatig herhaalden. Drukker bezig met welke popster er deze keer per helikopter door het land mocht, van vrijheidsconcert naar vrijheidsconcert, dan ons af te vragen hoe onwrikbaar die vrijheid zelf eigenlijk nog was.

We leefden op de pof, zelfs tijdens een pan­demie werd ons voornaamste doel: zo snel ­mogelijk terugkeren naar een ‘oud normaal’. Een normaal waarin we vrolijk konden verdergaan met het leegzuigen van de planeet en waarin de vrijheid en welvaart van de één zo vaak gebouwd is op de onderdrukking en uitbuiting van de ander.

We keken schouderophalend toe, naar het groeiende ontzag voor ‘Sterke Mannen’, die met droge ogen beweerden dat je gewoon een hek om je land heen moest zetten en je vingers in je oren moest stoppen. ‘Dan hoor je niets meer.’

En zelfs nu nog, nu een dictator een democratisch land met de grond gelijk wil maken, zelfs nu wordt er gejuicht voor dezelfde intriganten die twee jaar lang luidkeels verkondigden zich tegen De Dictatuur te verzetten. Natuurlijk was dat een leugen.

Hun ware bedoelingen waren allang zichtbaar, voor wie ze wilde zien. Maar dat we zo’n aanzienlijk deel van de mensheid voor een generatie zijn verloren aan fascisten die op niets anders uit zijn dan ontwrichting, tweespalt en destructie, is niets om triomfantelijk over te doen. Die luxe kan niemand zich permitteren.

Ik realiseer me dat oorlog niet zozeer een ­corset is dat je organen langzaam samenperst en je de adem beneemt. Nee: het is een geluid. Een zachte, lage, onheilspellende bastoon die voortdurend ergens in de verte klinkt. Waar je soms heel even naar luistert en die je dan koppig wegdrukt met terloopse zinnen. ‘Haal jij de kinderen vandaag op of doe ik het?’ ‘We moeten een iPad meenemen voor in het vliegtuig’, ‘Ik dacht zelf aan pasta pesto’ of ‘Dat Inventing ­Anna op Netflix schijnt toch best leuk te zijn.’

Ik realiseer me dat voor de meeste mensen, degenen die niet door de bommen en kogels worden geraakt, het alledaagse leven tijdens een oorlog gewoon doorgaat. In al zijn banaliteit. Al heb ik wel wat vrienden die alvast een transistorradio hebben aangeschaft. Of jodiumtabletten. En al klinkt Doe Maar plotseling weer als pasgeboren: ‘Laat maar vallen dan / Het komt er toch wel van / Het geeft niet of je rent’.

Ik zou willen dat wij de mensen van een eeuw later waren, die naar onszelf konden schreeuwen: ‘Stop! Kijk dan, stommelingen, daarginds begint de afgrond.’ Maar ik vrees dat we de ­rand van de afgrond al een poosje geleden gepasseerd zijn.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft elke zaterdag een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden