Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Nog nooit heeft een tijd zoveel humoristen gekend, nog nooit heb ik zo weinig gelachen

PlusTheodor Holman

Theodor Holman

Tijdens de eerste lockdown merkte ik dat sommige jeugd hier in de buurt wel eens illegale feesten hield. Ik vond dat eng. Ze zouden hun ouders en grootouders kunnen besmetten – zo meende ik – en die zouden dan sterven. Maar je flirt, terwijl je je beginnende baardstoppels koestert, met de dood omdat je de liefde, die je slecht kent, wil begrijpen.

Natuurlijk zou ik ook naar die feesten zijn gegaan als ik nog zeventien was. Drinken, roken, dansen, meiden versieren, verliefd worden, kussen in een nauwelijks verlicht portiek, huilen terwijl je een fles jenever omklemt, kotsen tegen een autoportier; achteraf heb je op die wrakkige pilaren je huidige eveneens wrakkige denkbeelden gebouwd. Je moet alle hoeken van de moraal leren kennen toch? Ach ja... Tevergeefse heimwee is de pijnlijkste heimwee.

Ik hoorde gisteren in de supermarkt een paar van die jongens praten over een feest dat ze een paar weken geleden hadden gehad.

Het afluisteren ging niet goed. Beiden hadden daarna corona gehad, maar waren al genezen. Ze wilden weer een feest.

Corona zal – nu het virus zich in allerlei gedaanten moet wringen om hier en daar nog te kunnen toeslaan – mettertijd zijn eigen romantiek krijgen. Ik hoop het. Maar ik dacht: waar kijken ze straks op terug? De tijdgeest – een spook dat niet bestaat, maar ik voel hem af en toe om me heen – trekt me soms naar een neovictoriaans uitzicht, vol preutsheid en nieuwe taboes. Aan de andere kant besef ik dat die eerste echte victoriaanse tijd (1837-1901) vervuld was van grote verwachtingen. Kracht en tegenkracht, these en antithese. Er is vast nu ergens een nieuwe Marx op z’n hoofd aan het krabben.

Maar mijn voornaamste bezwaar tegen deze tijd is humorloosheid waar ik zelf ook aan lijd. Nog nooit heeft een tijd zoveel humoristen gekend, nog nooit heb ik zo weinig gelachen. En als ik mensen hoor en zie lachen, begrijp ik niet waarom. Het lijkt wel of Sacherijn mijn nieuwe minnares is. (Ik hoorde trouwens dat er mensen zijn die geen films van Woody Allen bekijken omdat het ‘een viezerik’ zou zijn. Om hem moet ik nog steeds heel erg lachen. Wat erg om jezelf zo’n genie te onthouden.)

Ik zie de jongens de supermarkt verlaten. Hun karretje staat vol met alleen maar blikjes bier. Misschien zijn het er wel honderd.

“We komen straks nog meer halen,” zeggen ze tegen de vrouw aan de kassa.

Heerlijk, ik ben jaloers.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden