PlusMaarten Moll

Nog een dode kan ik er nu niet bijhebben

Maarten Moll
null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Had ik er toch nog een over het hoofd gezien.

De Wieger.

De grote man met baard en halfbegroeide schedel die altijd voor het verzorgingshuis hiertegenover op vaste voeten heen en weer stond te schommelen.

Hem had ik echt al heel lang niet gezien.

Nog een dode kan ik er nu niet bijhebben.

De Wieger.

Met zijn bruine tas.

Altijd met die bruine tas. Of hij nu van het verzorgingshuis wegliep met die deinende gang, god mag weten waarnaartoe, of daar soms een halfuur gewoon maar stond te wiegen. Hij hield die tas stevig vast in zijn rechterhand.

Met die eeuwige uitdrukking op zijn gezicht die ergens tussen een grijns en een glimlach in zat.

Als je hem gedag zei, trok hij een mondhoek op.

En dan was er de dag van de fiets.

Op een dag, ik ben vergeten welke, zagen we hem ineens voor het fietsenrek staan met een robuuste, zwarte herenfiets. Zo eentje met twee stangen. Extra stevig.

Hij hield het stuur vast al was het een vreemd voorwerp waarvan hij niet precies wist waar het toe diende. We keken wat er zou gebeuren. Bezorgd en een beetje bevreesd.

Hij stapte verrassend soepel op, zeer krachtig zwaaide hij zijn linkerbeen over bagagedrager en zadel. Vroeger vast veel geturnd.

Vervolgens fietste hij de weg op, stuurde even bij, en reed richting het winkelcentrum. Hij wiegde niet tijdens het fietsen. Hij zat er kaarsrecht bij, als een stotteraar die niet hapert als hij gaat zingen.

Onder de snelbinders op de bagagedrager zat zijn bruine tas.

Voor het verhaal zou het mooi zijn om te zeggen dat dat de laatste keer was dat ik hem zag, dat ik zijn rug zag, en dat hij ten slotte langzaam in een bocht uit zicht verdween.

Maar niet lang daarna zag ik hem op de brug over de A10. Ik fietste langs hem heen en bleef verderop stilstaan. Ik geloof dat ik bang was dat hij iets engs zou gaan doen. Maar hij stond daar maar. Een hand op de reling, de andere om de hengsels van zijn bruine tas.

Hij keek naar het noorden.

Ik dacht aan een gedicht van J.W. Oerlemans.

Je bent weer zo aflandig

vandaag, je hebt de zee

in je ogen, veel zee

en in je oren stormt

een heilloze muziek

en je staat daar maar

en je bent er niet.

Na een minuut of vijf geloofde ik het wel en reed ik verder.

Ook dat was niet de laatste keer dat ik hem zag.

Nog een keer of twee heb ik hem op de stoep voor het verzorgingshuis met zijn bovenlichaam heen en weer zien bewegen.

Nu zit ik de laatste dagen regelmatig naar buiten te kijken in de hoop hem daar dan opeens te zien staan wiegen. Het maakt me al niet meer uit dat ik niet zal weten wat er in die bruine tas zat.

Nee, dat is niet waar. Ik ben razend benieuwd. Ik hoop op een dik, beduimeld manuscript met allerlei grafieken en tabellen waarin hij op zijn manier de wereld verklaart.

Altijd onbegrepen gebleven.

Wat zou ik hem graag nog een keer op die fiets zien stappen.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden