Opinie

'Niks renaissance van Baudet, hier spreekt een ketterjager'

Christelijke retoriek in de overwinningsrede van Baudet toont dat hij oorlog wil, in elk geval een culturele oorlog, schrijven Joost Röselaers en Matthias Smalbrugge.

Thierry Baudet stuurt aan op een culturele oorlog met zijn claims van superioriteit Beeld Robin van Lonkhuijsen

Menige krant heeft zich gezet aan een interpretatie van de overwinningsspeech van Thierry Baudet, zo ook Het Parool. Op die wijze werd de uil van Minerva binnen enkele dagen spreekwoordelijk. De belangstelling voor de rede is goed te begrijpen. Het gebeurt niet vaak dat een Nederlandse politicus een groot verhaal neerzet. Aan visie geen gebrek bij Baudet.

Als theologen zijn wij ook van verhalen die onze eigen levens overstijgen en met elkaar verbinden. We juichen toe dat een politicus dat doet. Toch hielden wij aan de rede van Baudet een beklemmend gevoel over, juist vanwege het gebruik van theologische taal en noties.

Oorlogsretoriek
De rede bevat uiteenlopende motieven, geschilderd in het clair-obscur van donkere oorlogsretoriek die verschiet tot een lichtvoetige idealisering van de renaissance. Daartussen zweven dan de steunkleuren van onder meer literatuur en theologie. Die laatste treft ons het meest. Daarom is het goed de christelijke motieven uit de rede naar voren te halen, want het gaat hier om christelijke retoriek die in onze ogen infame politiek moet ondersteunen.

Baudet zegt dat het wederopstandingsmotief hem dierbaar is: wat dood is of lijkt, kan weer levend worden. Opstanding en wedergeboorte (renaissance) blijken vervolgens voor hem hetzelfde. Het gaat erom dat mensen 'van goede wil' (weer zo'n christelijke motief) de handen ineenslaan. Tja, wie kan daar tegen zijn?

Het wordt enger als we Baudet horen spreken over ketters en afgoden. Er is volgens Baudet in Nederland haast ongemerkt 'een grandioze ketterij' binnengedrongen, een 'nieuwe immanente religie', een 'politieke theologie'. Hij zegt: "De leden van het kartel. Ze geloven in niets, maar vereren tegelijk één afgod, genaamd transitie."

Als je het hebt over renaissance, als je zegt het humanisme uit die tijd inspirerend te vinden, dan verraadt het begrip ketterijen toch dat hier eigenlijk de grootinquisiteur van Sevilla spreekt, een personage in De gebroeders Karamazov van Dostojevski.

Matthias Smalbrugge is hoogleraar religie en theologie aan de Vrije Universiteit. Beeld -

Grootinquisiteur
U kent dat verhaal misschien wel. De groot­inquisiteur, kardinaal van beroep, zag onverwacht Jezus terugkomen op aarde, terwijl hij net zo prettig een brandstapel aan het bouwen was voor ketters. De grootinquisiteur had geen boodschap aan de naïeve insteek van Jezus. Die laatste had immers gedacht dat mensen vrijheid wilden en daar blij mee zouden zijn. Hoe naïef van Jezus.

Mensen willen gestuurd worden door een leider, zo weet de grootinquisiteur, ze willen mensen aanbidden en anderen op de brandstapel zetten. Mensen willen goed en kwaad helder onderscheiden.

Baudet heeft dat goed gezien en laat zich die rol graag aanleunen: de rol van de man in het kardinale purper, aanbeden door volgelingen en in staat ketters als onbenullen op hun nummer te zetten. Onbedorven en onbekommerd.

Ter zake, wat waren ketters? Het woord komt van katharen, die ketters waren in de ogen van de kerk. Van origine verwijst katharisme echter naar een wijsgerige stroming, een school te midden van andere stromingen. Dit vanuit het besef dat niemand de hand op de waarheid kan leggen en dat debat en gedachtewisseling dus noodzakelijk zijn.

Permanent stempel
Vanaf het moment dat het christendom institutionele macht krijgt, wordt kathaars ketters, een opvatting die niet gedoogd kan worden, omdat de kerk meent de waarheid in pacht te hebben. Dat betekent het einde van de gedachtewisseling, en van de waarheid blijft alleen een machtsclaim over. Het woord ketter is voldoende om iemand een permanent stempel op te drukken. Dat kan hem het leven kosten.

Joost Röselaers is predikant van Vrijburg in Amsterdam-Zuid. Beeld -

Retoriek die refereert aan ketters en afgoden eindigt er vroeg of laat mee dat mensen het recht op spreken ontnomen wordt. Je wordt een grootinquisiteur, een ketterjager, en begint onder het gejuich van menigten aan een oorlog.

Misschien is die christelijke retoriek dus de taal die het scherpst toont dat Baudet op oorlog uit is, in elk geval op een culturele oorlog. Hij wil dat nieuwe tijden aanbreken: je hoort bij zijn kerk, of je komt op de brandstapel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden