Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Niets mis met de mond, Poppedop uit de Poezenflat

PlusRoos Schlikker

“De maakbaarheid, jongen. Dat is het probleem met die corona shizzle. Ik ben totally selfmade. Ik heb iets te brengen in deze wereld. Maar nu… Ik wil naar een restaurant om ze aan omzet te helpen: dicht. Reisje Zuid-Frankrijk: forget it. Nieuwe investeringsrondes: schrijf maar op mijn dikke buik. Het leven is minder maakbaar. Dat is dé tragedie van nu.”

Onderaan de nieuwbouw naast het Olympisch Stadion staat een vijftiger tegen zijn glimauto geleund te bellen. Hij draagt een trui die eruitziet of God hem persoonlijk voor Mart Smeets heeft gebreid. Knalblauwe wol, dikke boorden, winters motief. Dit is een trui in hoofdletters. De man praat zelf ook in hoofdletters. “Ja, ik wacht hier op haar. Knap wijfie, hoor,” snoeft hij.

Ik hoorde laatst dat dit blok in Zuid de Poezenflat wordt genoemd, omdat er zoveel gescheiden vrouwen wonen. Ik moest erom grinniken, maar nu ik deze vent hoor opscheppen over zijn verovering (“Nee, niet té slim. Precies goed. Geen kindjes godzijdank. Geen centjes ook. Geeft niks. Lekker behoeftig”) klinkt de term akelig seksistisch. Er bestaat toch ook geen Slurfjesplein?

De man herhaalt zichzelf, dat doet hij graag. Zijn lach klatert als een volvette chardonnay die in een groot glas geschonken wordt. “Ik zei toch: ik heb iets te brengen in deze wereld. Hahaha, Gods zaad over Gods akkers.”

En plotseling zie ik mijn vader staan. Niet vanwege de tekst maar door de trui. Eind jaren tachtig had hij er ook zo een. Een duur ding uit Parijs. Mijn papa woonde erin. Tot hij op een ochtend naar buiten keek. De zwerver die verkroepoekt op het bankje aan de overkant zijn dagen sleet, zag er plotseling reuze patent uit. Aquablauwe wol reflecteerde in de grachtenspiegel. Eroverheen droeg de kerel een colbert, zijn eeltige klauw aaide de stof. “Hè?” mompelde mijn vader. “Dat lijkt wel mijn…” Stralend knikte mijn moeder. “Volgens mij had ie het koud. Staat hem goed.” Ze had alle pakken van mijn pa cadeau gedaan. En diens trui. Die vervolgens nog jaren de schouders van de dakloze verwarmde. Mijn moeder bleef er tevreden om giechelen.

De deur van de Poezenflat gaat open. Een jongedame trippelt naar buiten. “Ah, ben je daar eindelijk?” brult de man. “Je ziet er moe uit, poppedop.” Poppedop ziet er vooral uit alsof ze heel lang voor de spiegel heeft gestaan. Geen haartje zit verkeerd. “Komt ook door je mond. Dunne lippen tekenen snel. Kun je makkelijk wat aan laten doen, hoor. Gewoon de bandjes oppompen,” brult de man. De vrouw doet gegeneerd wat gloss op. Niets mis met die mond, zou ik zeggen. Ook niets mis met lichaamsverfraaiing overigens, iedereen moet zelf weten wat ie in zijn lijf laat stoppen. Zolang het maar niet voor Meneer Maakbaar is.

De auto scheurt weg. Door de achterruit schemert het schreeuwblauw van een dikke trui. Ik denk aan het exemplaar van mijn vader. En aan onorthodoxe giften van een moeder die nauwelijks wist wat maakbaar was, maar een hele hoop in de wereld bracht. 

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden