Column

Niets maakt mij kwader dan moordenaars die berouw tonen

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Op het journaal hoor ik dat een moordenaar spijt en ­berouw heeft getoond.

Niets kan mij kwader maken dan moordenaars die spijt en berouw tonen. Blijf ­gewoon achter je daad staan. Draag je walgelijke zonden als een zware kroon. Span die nekspieren aan.

Je hebt al iemand van de nabestaanden afgepakt, pak nu ook niet hun recht om je de rest van hun leven te mogen haten van ze af.

Op het moment dat jij het leven uit ­iemand sloeg, stak, sneed, schoot of schopte, zaagde je tegelijkertijd ook de poten onder alle biechtstoelen op deze wereld vandaan. Dus smeek niet om genade. Smacht niet naar vergiffenis. Wees gewoon de persoon die we kunnen haten.

Het vervelendste aan spijt vind ik dat het de nabestaanden dwingt om iets te doen. Niets maakt zo schatplichtig als spijt.

Ik heb een dochter van jullie afgepakt, maar hier heb je er iets voor terug: spijt. Als ik de tijd zou kunnen terugdraaien, geloof mij, had ik alles anders gedaan. En daar sta je dan als nabestaande. Het monster koestert een wens. Hij wenst dat hij zijn ­gemaakte keuze nog kan veranderen.

Het monster huilt krokodillentranen. Vergeef me. Vergeef me. Vergeef me. De persoon die je kapot heeft gemaakt, heeft niet het recht om te denken dat jij hem weer heel kan ­maken.

Spijt is niets waard. Spijt is het licht in de badkamer uitdoen, zodat je weer naar jezelf in de spiegel kunt kijken.

Spijt is een airbag die een dag na het dodelijke ­ongeluk afgaat en een applaus verwacht. Spijt is een vinger in je keel stoppen en liters correctievloeistof kotsen, in de hoop dat jij, en alleen maar jij, je weer iets beter zult voelen.

Mijn cliënt heeft spijt. Nee, uw cliënt heeft een goedkoop horloge voor zijn geweten gekocht. Het geweten kijkt op het nieuwe horloge. O gelukkig, het is kwart voor genade.

Ik haat moordenaars die spijt en berouw tonen. Ik haat slechteriken die de wereld in brand steken en dan vanaf een hoge berg naar een verkoolde stad kijken en pardon zeggen alsof ze een boer hebben gelaten.

Het is de vraag of spijt wel echt bestaat en als het al ­bestaat, waarom komt het altijd pas opdagen als de vlammen al op wolkenkrabbers lijken?

Ik ga naar de cel toe van de moordenaar die spijt heeft. Ik kijk door het raampje. Hij leest de bijbel. God is met hem. Nu wel. God is wat dat betreft net als spijt. Als het kalf verdronken is, trekken God en spijt hun kaplaarzen aan, pakken ze de tandem uit de schuur en fietsen ze rustig naar je toe.

De moordenaar slaapt, ik loop zijn cel in. Als de tandenfee pak ik zijn spijt vanonder zijn kussen vandaan en leg er iets anders voor in de plaats. Met zijn spijt loop ik naar het donkerste bos toe en slacht het af. Ik begraaf zijn spijt op een plek waar niemand het kan vinden.

De moordenaar wordt wakker. Hij kijkt onder zijn kussen of zijn spijt er nog ligt. Maar het is weg. Hij raakt in paniek. Dan vraagt hij aan zijn geweten hoe laat het is.

Het is kwart over genade.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden