Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Niet gezien zijn is het allerergste

PlusRoos Schlikker

Roos Schlikker

Het meisje van het bureau had me blij opgebeld. “Je bent uitgenodigd voor een fotosessie. Iets met keukens. Het is gróót!” gilde ze.

Een bel knapte in mijn bovenlijf. Er stroomde zoete vloeistof uit, stroperig zocht het zijn weg richting mijn organen. Warm geluk. Want eindelijk werd ik gezien.

Het is lastig toegeven, maar lang snakte ik naar aandacht. Ik schaam me ervoor, want in Nederland wordt ‘lekker nuchter’ als grootste deugd gezien, wat op gespannen voet staat met verlangen naar enig opvallen. Maar laatst las ik een interview in de Volkskrant met de buitengewoon leuke Petra Possel. Zij erkende ruiterlijk altijd op zoek te zijn geweest naar wat zij ‘podiumpjes’ noemt, variërend van boeken, columns, radioprogramma’s tot koekenpannen. “Ik denk dat ik daar mijn bevestiging uit haal. Mijn huidige man Pieter is kok (…). Ik zeg weleens tegen hem: ‘Dit keer gaan we níet zo aanstellerig koken.’ Want het is ook heel erg imponeergedrag, hè. Anderen doen dat met een sportwagen, wij door ons heel overdreven uit te sloven met zeven gangen. Daarmee sla je je gasten ook lam. Maar wij vinden het gewoon heel leuk. En tegelijkertijd is dat dan ons podium.”

Podiumpjes zoeken. Ik vond het zo’n aardige, eerlijke benaming voor geldingsdrang. Tegenwoordig zit ik er niet altijd om te springen. Enerzijds omdat het makkelijk kletsen is natuurlijk, met je kneiter in de krant. Aandacht mag best minder als ik op een feestje vertel wat ik doe en er altijd wel een kerel is die met haringadem in mijn gezicht hijgt: “Weet je waar jij eens een stukkie over zou moeten schrijven?” Waarna er een babybloedsamenzweringstheorie volgt of een oersaai verhaal over een fusie in de accountancywereld.

Anderzijds na dat ene hysterische telefoontje van het castingmeisje. In de fotostudio werd ik gekoppeld aan een ras-Rotterdammert. Zijn buik duwde opdringerig tegen het katoen van zijn overhemd. Hij sprak me consequent aan met ‘wijffie’. Al snel noemde de reclamebureaujongen me ook zo alsmede de fotograaf die mij opdroeg dicht naast mijn fotopartner te staan. “Komt maar, wijffie, ik bijt niet.” Hij had natte handen.

Maar ik was professioneel. Ik schaterde op commando, de fotograaf was innig tevreden. “Wat lach jij lekker, wijffie.”

Na afloop vroeg ik waar de foto’s in kwamen. Een glossy? Abricampagne? Het was immers iets gróóts. De fotograaf grijnsde. “Nee wijffie. Maar jij gaat het heel leuk doen op de trucks.” Dus staarde mijn tronie maandenlang Nederland aan vanaf de vrachtwagenklep van een keukenfabrikant.

Ik zie het beeld plotsklaps voor me als mijn jongste binnen stuitert. “Kijk, ik heb een sexpek.” Ik verbeter hem niet. Met gefronste wenkbrauwtjes kijkt ie me aan. Hij ziet eruit of ie moet kakken. “Wat is er?” vraag ik. “Ik oefen. Zo moet je kijken als je het bent… fotomodel…,” zucht hij. Ik hoor iets knappen in zijn borst. Zoete vloeistof. Ik denk aan mijn carrière als keukenwijffie. Maar ik zeg niets. Iedereen heeft recht op podiumpjes. Want niet gezien zijn is het allerergste. En dat geldt nog het meest voor dromen.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden