Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

Niemand heeft kuiten als Fabian Cancellara

PlusRoos Schlikker

Er ligt een landschap op de kuit van Fabian Cancellara. De oud-wielrenner, vier wereldtitels, dubbel olympisch kampioen, rijdt voor me op een Italiaanse berg. Twee weken zit hij met zijn gezin in dezelfde plaats als wij en gedurende die tijd begeleidt hij ritjes voor fietsfanaten.

Hij babbelt vrolijk (“Sorry I had to beat Dumoulin, but hey, it was my last race”), stelt talloze vragen (“What do you write about?” “About you Fabian, of course about you”).

Intussen gluur ik naar die kuiten. Glad alsof de grasmaaier het gazon net heeft gedaan, spierbobbels die zich heuvelachtig tonen, een blauwe ader meandert er doorheen.

Achter me fietst mijn vader. Wat heb ik vaak zijn kuiten bekeken. Altijd onbehaard, bruin, strak. Met een vingertje gebaarde hij hoe ik uit de wind kon blijven. Of hij wees hoofdschuddend naar mijn been vol kettingsmeer, omdat ik weer eens onhandig tegen mijn fiets aan was gaan staan. “Amateur,” lachte hij.

Mijn vader is een knoest. Vroeger was hij onbuigzaam. Had hij een mening, dan hield hij die, geen aarzeling, slechts stelligheid. Tegenwoordig belt hij met twijfels. “Wat vind jij nou?”

Zijn rechte schouders gingen scheef hangen, langzaam buigt hij opzij alsof iemand tegen hem aanduwt. Het is het gevolg van een breuk na een fietsval. Hij ging niet naar het ziekenhuis, want dat doen knoesten niet. Die ontdekken jaren later dat de boel wat rottig aan elkaar is gegroeid.

Mijn vader, ooit was hij sprintkampioen van Amsterdam. Ooit reed hij Trondheim-Oslo. Vijfhonderdveertig kilometer aan één stuk. Het was zo koud dat de renners sauna’s van lokale boeren in vluchtten om hun stroperige bloed weer tot stromen te krijgen.

Nu zoemt hij met zijn elektrische racefiets naast Cancellara. Die reed in 2010 Boonen zo snel uit het wiel dat hij beschuldigd werd mechanische doping te gebruiken. We lachen. Toch weet ik dat De Knoest soms baalt. Mijn leven lang reed ik achter hem. Vorig jaar passeerde ik hem opeens. Hij was trots, maar zei ook: “Geniet ervan dat je sterk bent. Toen ik op mijn best was, dacht ik daar nooit aan. Nu ben ik vergeten hoe het voelde.”

Ik snap wat hij zegt. Tegelijkertijd weet ik: de topsporter ademt nog steeds in zijn borst. Mijn vader ziet er nu anders uit, maar ontdeed zich slechts van zijn schil. Die schil, zijn oude uiterlijk, gaf hij cadeau. Aan mijn zoon die hij ‘Sport’ noemt, wiens schouders uitbotten, spierbroodjes nestelen zich onder de huid van zijn tienerbuik. Het karakter vormt zich. Stevig, onbuigzaam soms. Maar ik voel dat er van binnen een man groeit die leert meebewegen. Net als opa.

We rijden door, zwetend. Ik vraag of Cancellara zich niet verveelt met ons amateurs. Hij schudt het hoofd. “In lycra we are all the same.” Ik denk dat hij het meent, maar weet dat het niet waar is. Want niemand heeft kuiten zoals hij.

En alleen ik heb een knoest als mijn vader. Als we van onze fietsen afstappen, wijst die naar mijn been. Kettingsmeer. Hij lacht. Scheef.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden