James Worthy Beeld Agata Nowicka

Niemand anders uit zijn klas hoefde zichzelf in te kleuren

Plus James Worthy

Mijn zoon staat op het schoolplein met zijn nieuwe rugtas in zijn handen. De tas is groter dan zijn rug. Ik vraag hoe school was. Hij zegt dat hij naar huis wil en dat hij wil gaan lezen op de bank. Hij is momenteel bezig aan het derde verhaal in het vakantieboek van Donald Duck. Mijn zoon kan nog niet lezen, maar dat hoeft dat boek niet te weten.

We lopen over de Prinsengracht naar huis. Soms grijp ik naar zijn hand, zijn vingers in mijn vingers, maar hij is te oud om hand in hand met zijn vader door de stad te lopen. Dat begrijp ik. Ik neem genoegen met gewoon naast elkaar lopen.

Gisteren liepen we ook zo en toen vertelde hij me over zijn nieuwe klas. Hij zei dat een paar jongens hem uit hadden gelachen, omdat er een rietje in zijn waterfles zat. Kennelijk zijn zesjarigen te oud om door rietjes te drinken. Ik wist dat niet. Ik vroeg hem of hij het vervelend vond dat ze lachten.

“Nee, hoor. Ik zei: jullie kunnen wel lachen, maar het gaat erom dat je leuk leeft,” zei hij. Ik greep naar zijn hand en zei dat ik trots op hem was. Voor zeven tellen liepen we hand in hand door de stad.

De lucht boven Amsterdam is mandarijnkleurig. We steken de Leidsestraat over. Er rijdt een tram langs. Toen hij nog klein was, echt klein, toen ik nog het ­gevoel had dat ik hem in een luciferdoosje kon bewaren, was hij verzot op trams. Hij vond het magisch hoe die dingen als rupsen door de stad kropen. Vandaag de dag ziet hij gewoon een vervoermiddel als hij een tram ziet rijden. Iets wat hij kan pakken als hij bij opa en oma op bezoek wil gaan.

“Hoe was school vandaag?”

“Ik heb het cijfer nul leren schrijven.”

“Dat is een belangrijk cijfer.”

“En iedereen in de klas moest zichzelf tekenen.”

“Hoe ging dat?”

“De juf begreep niet waarom ik mezelf niet wilde ­inkleuren.”

“Waarom wilde je jezelf niet inkleuren dan?”

“Ik had er geen zin in. Niemand anders uit mijn klas hoefde zichzelf in te kleuren.”

Eventjes is het stil. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik weet wel wat ik wil zeggen, maar daar is hij nog te jong voor. Zijn vader heeft een baard. Als iemand mij ziet, ziet diegene een man met een baard. Als mijn zoon later een baard neemt, zullen mensen hem als een gekleurde man met een baard zien. Hij zal nooit als gewoon een man met een baard gezien worden. En niemand zal het tegen hem zeggen, maar ze zullen het denken. Als ze mij zien, zien ze eerst een zelfstandig naamwoord. Als ze hem zien, zien ze eerst een bijvoeglijk naamwoord.

Thuis praat mijn vrouw met hem. Ik luister naar ze, terwijl ik een kan limonade maak. Mijn vrouw groeide op in Friesland. Al haar vriendinnen waren zelfstandige naamwoorden. Alleen mijn vrouw werd steevast ­getrakteerd op een nadere omschrijving. En deze ­omschrijving had niets van doen met haar vrolijkheid, haar loyaliteit of haar fantasie.

Na het eten gaan we aan de keukentafel zitten om onszelf te tekenen.

Ik teken een man.

Mijn vrouw tekent een vrouw.

En mijn zoon tekent een jongen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden