Opinie

‘Nationaal Archief is niet de juiste plek voor beladen documenten Shoah’

Volgens Raymund Schütz en Frits Barend moeten de toegankelijkheidsregels van het Nationaal Archief niet gelden voor de inzage van de cartotheek van de Joodse Raad.

In het Nationaal Archief ligt negen kilometer documentatie over de oorlogsjaren. De openbaarheid is beperkt om de privacy van levende personen te beschermen. Beeld ANP

Het heeft zich in het verborgene afgespeeld, de overdracht door het Rode Kruis van de Joodse Raadcartotheek aan het Nationaal Archief. De overdracht verdient echter alle aandacht, want sinds de overdracht heeft de staat formeel zeggenschap over de tijdens de Duitse bezetting tot stand gekomen cartotheek. De vraag is of het Nationaal Archief de juiste plek is waar de beladen gegevens opgeslagen moeten worden, zeker als instanties als Herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch Museum op termijn hun digitale kopieën van de Joodse Raadcartotheek zouden moeten inleveren.

De herinnering aan de Shoah in Nederland moet zijn gebaseerd op authentieke gegevens, zodat we antwoord kunnen blijven geven op bijna alle vragen over de slachtoffers. We moeten de juiste namen en geboortedata kennen van de meer dan 100.000 vermoorde Nederlandse Joden, weten waar ze woonden, wat hun beroepen waren, hoe hun familiesamenstelling was, hoe en wanneer ze naar de vernietigingskampen zijn gedeporteerd.

Veel van de bovengestelde vragen kunnen aan de hand van Joodse Raadcartotheek worden beantwoord. Op de circa 158.000 kaarten vinden we de persoonsgegevens van nagenoeg alle Nederlandse Joden uit de bezettingstijd.

Het blijvend kunnen beantwoorden van deze vragen is een plicht van heel Nederland tegenover de nabestaanden. Onderzoek naar de grootste catastrofe in onze geschiedenis moet tot in de eeuwigheid openbaar toegankelijk zijn voor eenieder die daarnaar onderzoek wil doen. De standaard beperkingen voor onderzoekers bij het Nationaal Archief zijn daarmee in strijd.

Beperkingen

Een digitale kopie van de cartotheek was sinds 2005 bij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork in te zien en op te vragen. Dat gold vanaf 2010 ook voor het Joods Historisch ­Museum.

De cartotheek vormt een samenhangend systeem dat ten overvloede aantoont dat de Shoah heeft plaatsgevonden en hoe de moord op de Joden was georganiseerd. Journalisten en wetenschappers maken er gebruik van voor onderzoeken en publicaties, en zullen dat in de toekomst hopelijk blijven doen. Voor nabestaanden heeft een kaartje met de gegevens van een vermoord familielid grote emotionele waarde.

Met de overdracht aan het Nationaal Archief dreigt de Joodse Raadcartotheek in de praktijk veel minder makkelijk toegankelijk te worden voor onderzoekers, instituten, nabestaanden en andere belangstellenden. De overdracht en de mogelijk daaraan gekoppelde beperkingen voor Westerbork en het Joods Historisch Museum vormen een onaanvaardbare aanslag op het herinneringsproces in Nederland.

Drama op zich

In het kort is de Joodse Raadcartotheek een drama op zich, ontstaan dankzij de op 13 februari 1941 op last van de Duitse bezetter opgerichte Joodse Raad, waarvan het bestuur en alle medewerkers Joods waren. Vanaf oktober 1941 kreeg de Joodse Raad van de bezetter landelijke zeggenschap over alle Nederlandse Joden en de organisatie werd vervolgens geraffineerd ingezet bij het uitvoeren van de Duitse, anti-Joodse maatregelen. Op 29 september 1943, ruim twee en een half jaar na de oprichting, werd de Joodse Raad op last van de Duitse autoriteiten opgeheven, kort nadat de leiding naar Westerbork was gedeporteerd en Nederland nagenoeg ‘Judenrein’ was.

Wie eigenaar is van de Joodse Raadcartotheek, is sinds 1945 onduidelijk geweest. De kast met kaarten werd in Amsterdam kort na de bevrijding aangetroffen door Sandor Baracs, een voormalige Joodse verzetsstrijder, werkzaam bij de Stichting Oorlogspleegkinderen.

In samenwerking met de gemeente Amsterdam en de plaatselijke afdeling van Volksherstel werd een informatiebureau ingericht, dat informatie over vermiste Joden verstrekte aan nabestaanden en officiële instanties, aan de hand van de gevonden cartotheek. Bovendien werden de persoonskaarten voorzien van extra informatie, zoals het nieuwe adres als de betrokkene had overleefd. Dit Amsterdamse informatiebureau stond los van het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis, dat in Den Haag was gevestigd.

In 1947 ontstond al een eerste conflict tussen de gemeente Amsterdam en het Nederlandse Rode Kruis over de zeggenschap over de cartotheek. Het Informatiebureau van het Rode Kruis in Den Haag stelde zich op het standpunt dat de Joodse Raadcartotheek onderdeel was van zijn informatiebestanden.

De afdeling Amsterdam van het Rode Kruis was het eens met de gemeente Amsterdam en vond dat de cartotheek in de hoofdstad moest blijven. Uiteindelijk werd de cartotheek in 1949 vrij geruisloos overgebracht naar het Informatiebureau in Den Haag, waar het tot 2018 is gebleven. In 2018 is het gehele archief van het Informatiebureau door het Rode Kruis, net zo geruisloos, overgebracht naar het Nationaal Archief.

Het staat vast dat er nooit een officiële, juridische overdracht van eigendom heeft plaatsgevonden: niet in 1945 aan Sandor Baracs, niet van Baracs aan de afdeling Amsterdam van het Rode Kruis, maar ook niet in 1949 toen de cartotheek naar het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis werd overgebracht. Dat betekent dat de eigendomstitel tot op de dag van vandaag niet vaststaat. Voor een juridisch eigendomsrecht van het Informatie­bureau van het Rode Kruis of van het Nationaal Archief bestaat geen grond.

Beheer of eigendom

Het is op z’n zachtst gezegd een gotspe als het Nederlandse Rode Kruis zich gedraagt als rechtsopvolger van de Joodse Raad en zich dienovereenkomstig voordoet als eigenaar van de Joodse Raadcartotheek. Het Rode Kruis, dat dit erfgoed sinds 1949 beheert, kan hoogstens het beheer overdragen aan een andere partij, maar zeker niet het eigendom.

De directie heeft in 2017 bij monde van toenmalig voorzitter Inge Brakman openlijk excuus aangeboden aan de Joodse gemeenschap in Nederland voor haar kwalijke rol tijdens en kort na de bezettingsjaren.

Die verontschuldigingen dreigen een excuus voor de bühne te worden nu het Rode Kruis tegen de wens van belangrijke instituties als Kamp Westerbork en het Joods Cultureel Kwartier (JCK) de cartotheek heeft overgedragen aan het Nationaal Archief, waardoor het kaartsysteem in de praktijk veel minder toegankelijk zal zijn voor vrij onderzoek en nabestaanden.

De informatie op de kaarten is van onschatbare waarde voor professionele organisaties als het JCK, Westerbork en Niod. Deze organisaties en niet het Nationaal Archief zijn de aangewezen instellingen om het menselijke drama in de herinnering aan de Shoah duurzaam te waarborgen.

Raymund Schütz is rechtshistoricus, voormalig archivaris ­oorlogsarchief Rode Kruis. Frits Barend is journalist, tv-en radiopresentator, columnist en uitgever.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden