Opinie

'Naar de tropen? Doe dan de oogkleppen af'

Veel westerlingen gaan voor vrijwilligerswerk naar ontwikkelingslanden waar met alle goede bedoelingen gedacht wordt dat onze kennis en aanpak universeel toepasbaar is, betoogt Judith van de Kamp.

Beeld afp

Elke dag gaan zo'n negenduizend westerlingen naar een ontwikkelingsland om een aantal weken of maanden stage te lopen of te werken. Ze slaan waterputten, bouwen scholen en verlenen medische zorg in ziekenhuizen en klinieken. Als kind had ik bewondering voor mensen die vol energie in het vliegtuig stapten om dit werk te gaan doen. Dat wilde ik later ook! Als ik durfde. Arme mensen helpen. Mooi, toch?

In 2006, tijdens mijn studie antropologie en sociologie, las ik in de krant dat het niet alléén maar mooi is. Dat er ook veel misgaat. Zo zouden westerlingen zich betweterig gedragen, zich ongepast kleden en donaties uitdelen die lokaal niet bruikbaar of niet nuttig zijn.

Het opvallendst vond ik dat de westerlingen dit vaak zelf niet doorhebben. Ze zijn immers veel te kort aanwezig om goed zicht te krijgen op het effect van hun eigen inzet binnen de lokale ­context. Daardoor blijven ze massaal in dezelfde valkuilen trappen.

Financieel verlies
In de jaren die volgden, dook ik in de literatuur en reisde naar Ghana en Kameroen om de inzet van westerlingen in de praktijk te onderzoeken. In Ghana opereerden Italiaanse artsen gratis in een lokaal ziekenhuis. Dat moest de Italianen in ruil daarvoor wel ophalen van het vliegveld, huisvesten en voeden. Daardoor leidde het ­ziekenhuis financieel verlies. Dat kon nooit de bedoeling zijn, maar de Italianen hadden geen idee.

Een groepje Nederlanders ging de voorraadkast van de operatiekamer opruimen en gooide spullen weg die de lokale chirurg nog goed kon gebruiken. In Kameroen doneerden Nederlandse studenten speelgoed aan een weeshuis. Zodra de Nederlanders vertrokken waren, werd het speelgoed verkocht. Waarom? Om er melkpoeder van te kopen voor pasgeboren baby's zonder moeder. Kwestie van prioriteiten, als je de lokale omstandigheden tenminste kent.

Ook gaven de bezoekende westerlingen vaak een les aan de lokale medewerkers over het belang van alcoholgel voor een goede hygiëne. Maar het probleem was helemaal geen gebrek aan kennis, het was een gebrek aan geld voor alcoholgel. Kortom: we trappen in valkuilen omdat we denken dat onze westerse kennis en aanpak universeel toepasbaar is. We zien niet dat dit in een compleet andere context verkeerd kan uitpakken.

Een belangrijke vraag is: wíllen we wel zien dat onze inzet niet altijd goed uitpakt? Staan we daarvoor open? Dat valt vies tegen. Enerzijds is het goed dat we graag iets voor een ander doen. Het voelt lekker om een ander te helpen. Win-win, zou je zeggen. Maar het verlangen om iets goeds te doen, kan ook gevaarlijk zijn.

"Zij willen niet"
Het kan er voor zorgen dat we vergeten te kijken hoe onze inzet op anderen overkomt. Dit wordt dialectical deafness genoemd. We zijn Oost-Indisch doof. We hebben oogkleppen op. Omdat we zo graag willen horen dat onze hulp op prijs wordt gesteld.

Beeld Yuri van der Meer

Judith van de Kamp

Medisch antropoloog, auteur van De derde wereld op je cv, een praktische en kritische gids voor vrijwilligerswerk en stages in ontwikkelingslanden.

Toen Belgische verloskundestudenten probeerden om de lokale verloskundigen in Kameroen de les te lezen, waren ze verontwaardigd dat er niet naar hen werd geluisterd.

Ze schreven erover in hun blog, en een familielid in België deed er in een reactie nog een schepje bovenop: 'Ze mogen blij zijn dat er blanken komen, want met hun verouderde methodes zouden ze ­allang in de complete afgrond verzeild zijn ­geraakt.'

Bij onenigheid tussen Belgische en Kameroense studenten schreef een Belgisch familielid zelfs: 'Typisch Afrikaans!' En zo wordt de kloof tussen 'wij' en 'zij' groter: zij willen niet, terwijl wij zo ons best doen.

In Kameroen bleef ik twee jaar op één plek, om te proberen te achterhalen wat de lokale betrokkenen nu vonden van de samenwerking met westerlingen die komen en gaan. Een aantal van deze Kameroeners zei: 'Westerlingen zijn vaak niet écht geïnteresseerd in ons. Ze nemen ons niet serieus.' Omdat er weinig vragen werden gesteld over waarom dingen anders gingen. Er was vaak direct kritiek, bijvoorbeeld op het hergebruiken van spullen. Ook zeiden meerdere Kameroeners: 'Ze kijken op ons neer.'

Beste bedoelingen
Ik ben ervan overtuigd dat de meeste westerlingen met de beste bedoelingen op het vliegtuig stappen. Des te wranger is het wanneer zij bijdragen aan het vergroten van de kloof tussen 'wij' en 'zij'. Niet alleen ter plaatse, maar ook in Nederland, door de verhalen die zij vertellen aan de borreltafel en op verjaardagen.

Ik ben er ook van overtuigd dat het juist deze westerse tropengangers zijn - studenten en professionals - die deze stereotiepe beelden kunnen doorbreken, door te vertellen over het werkelijke leven in ontwikkelingslanden. Dit kan alleen als zij met een open blik op reis gaan. Als ze bereid zijn kritisch naar zichzelf en hun rol te kijken. Als zij goed observeren, wachten met begrijpen en vragen durven te stellen over wat zij meemaken.

Ik ben ervan overtuigd dat de inzichten die zij hierdoor opdoen veel betekenis zullen ­hebben. Niet alleen voor eerlijkere beeldvorming over leefomstandigheden wereldwijd, maar ook voor meer onderling begrip en meer gelijkwaardigheid in de relaties tussen wereldburgers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden