Jaap de Groot.Beeld Artur Krynicki

Na de finale werd ik door puur toeval toegelaten tot de kleedkamer

PlusJaap de Groot

Het begon al een paar weken voor de aftrap in Wenen. In overleg met trainer Louis van Gaal dwong Frank Rijkaard af dat hij tot de Champions-Leaguefinale niet meer voor Ajax zou spelen. 

De ­33-jarige routinier, die AC Milan twee jaar eerder had verlaten om bij zijn oude liefde zijn carrière af te ronden, was uit op het ultieme afscheid. De eerste stap was zich compleet af te sluiten, om zo diep in een ‘tunnel’ te komen.

Zijn doel? Het spelen van de perfecte wedstrijd op 24 mei 1995 in het Ernst Happelstadion. De laatste uit zijn carrière en die moest tegelijk ook de beste worden. Daarvoor moest alle energie worden opgespaard en was hij, tot woede van diverse journalisten, tot de wedstrijd niet meer aanspreekbaar. Later vertrouwde hij me toe: “Erover praten was het lot tarten. Dan had ik het risico genomen de magie te doorbreken.”

Het effect was op die 24ste mei overdonderend. Rijkaard zat vacuüm gezogen in zijn tunnel en vrat vanaf de eerste minuut de wedstrijd op. Dat werkte door tot in de kleedkamer, waar hij tijdens de rust spelers bijna dreigend op hun matige spel zou wijzen.

Intussen werd hij maar beter en beter. Eerst controleerde hij als centrale verdediger de defensie, vervolgens deelde hij achterin en op het middenveld de lakens uit, om uiteindelijk overal op het veld aanwezig te zijn. De power waarmee hij de ­Milandefensie bij het winnende doelpunt in paniek bracht, waardoor Patrick Kluivert het gaatje vond om de bal tegen het net te punteren, was ongekend indrukwekkend.

Dat duurde tot het laatste fluitsignaal. Het moment dat Rijkaards tunnel explodeerde en ik op zo’n dertig meter afstand op de perstribune getuige was van een onvergetelijke ontlading. Na weken van mentaal isolement kwam alles los en had hij niet eens in de gaten dat hij tijdens zijn vreugdedans Clarence Seedorf en Winston Bogarde letterlijk met zich meesleurde.

Het was zo’n pure extase, dat ik er zelf emotioneel van werd. Dat gevoel zou nog specialer worden, toen ik door puur toeval tot de kleedkamer werd toegelaten. Mijn pak bleek dezelfde kleur als die van de Ajaxofficials te hebben en omdat ik tussen de assistent-trainers Gerard van der Lem en Bobby Haarms zeer vanzelfsprekend mee naar binnen liep, haalde niemand van de Oostenrijkse beveiliging het in zijn hoofd om me tegen te houden.

Zo stond ik ineens voor de open kleedkamerdeur van de kersverse Europees kampioen. Eerst werd ik door Clarence Seedorf en Danny Blind omhelsd, waarna er het oogcontact met Frank Rijkaard was. Zittend op een bankje sloeg hij zachtjes en regelmatig met zijn rechterhand tegen zijn hart. Daarna stond hij op en omhelsden we elkaar.

Zo mooi kan voetbal dus zijn. Zo mooi kan ook de sportman zijn.

Jaap de Groot schrijft wekelijks een column over sport in Het Parool.

Reageren? j.degroot@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden