null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Morgen zal het overal in Nederland over onze buurt gaan, dacht ik

PlusJohan Fretz

Er zijn dagen waarop je extra blij bent dat je geen tuinkabouter hebt. Gisteren was zo’n dag. Al wekenlang was er in Haarlem-Noord helemaal niets opmerkelijks gebeurd. Maar gistermiddag begon het in de buurt te gonzen: “Heb je het al gehoord?”

Op internet hadden relschoppers aangekondigd dat ze ’s avonds strijdlustig zouden afreizen naar het lokale winkelcentrum. Het klonk meteen heel Hollands: zelfs rellen worden in dit land van tevoren aangekondigd. Dat is wel zo prettig, dan kan iedereen zich er een beetje op voorbereiden. Misschien was er zelfs wel een vergunning aangevraagd.

Natuurlijk stonden de beelden van de afgelopen dagen nog op mijn netvlies gebrand. Ik moest denken aan de eerste coronapersconferentie, nu bijna een jaar geleden. Premier Rutte zei toen: “We zijn een nuchter volkje.” Iedereen die de afgelopen twintig jaar een beetje had opgelet wist wel beter. Bij onze volksaard doemt een ander beeld op. Ooit begon de oermens in een grot. Hij ging kruipen, rechtop staan, lopen, nadenken, op weg naar de beschaving. In Nederland laten we al een tijdje – en de afgelopen dagen in het bijzonder – zien dat wij alvast zijn begonnen aan de weg terug.

Ben je een ramptoerist als je de plaats delict bezoekt nog voor de ramp heeft plaatsgevonden? Ik had niet echt boodschappen nodig, maar ging toch maar naar het winkelcentrum. Even de sfeer proeven. Ik kon het niet helpen – het zal de verveling zijn geweest – maar ik voelde enige opwinding. De opwinding van een oorlogsjournalist die al weken opgesloten zit in zijn vijfsterrenhotel, maar nu eindelijk langs de controlepost een no-gozone is binnengeslopen. Ik observeerde de mensen. Er hing niet bepaald een burgeroorlog in de lucht, maar er gebeurde tenminste eindelijk iets, althans: er stond mogelijk iets te gebeuren. Ik bevond me in het epicentrum van de aanstaande actualiteit.

Winkeliers spijkerden hun ramen dicht met houten panelen.

Buurtbewoners spraken elkaar aan: “Het is toch niet normaal dit?”

“Nee, niet normaal en dat in onze buurt.”

Ik deed ook mee: “Net wat u zegt. Niet normaal. En dat in onze buurt. Zo’n nette buurt.”

“Precies, jongeman. Een nette buurt. En dan dit. Niet normaal.” Smalltalk is dezelfde tien woorden in willekeurige volgorde steeds maar blijven herhalen, tot het gesprek doodbloedt.

Thuis vroeg mijn vriendin dringend of ik ook naar het Kruidvat was geweest. “Nu het nog kan,” zei ze, alsof ons gezin over een uur voor onbepaalde tijd de schuilkelder in moest. Ik zette de fietsen in de schuur. Een tuinkabouter hadden we dus niet, goddank, dat scheelde tilwerk. Wij waren er klaar voor.

Ik dacht: morgen zal het overal in Nederland over onze buurt gaan. Politici en talkshowgasten zullen, afhankelijk van hun ideologische overtuigingen en de samenstelling van de groep relschoppers, roepen wat ze sowieso al wilden roepen, maar waarvoor ze nu weer een concrete aanleiding zullen hebben gevonden.

Alleen er gebeurde helemaal niets. Het bleef stil in Haarlem-Noord, zoals het al weken stil is. We telden toch niet mee.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft op woensdag en zaterdag een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden